Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 94.

De hoofden der ministeriële departementen hebben zitting in de beide Kamers. Zij hebben alleen eene raadgevende stem, ten ware zij tot leden der vergadering mogten benoemd zijn.

Zü geven aan de Kamers, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, de verlangde inlichtingen, waarvan het verleenen niet strjjdig kan worden geoordeeld met het belang van den Staat.

Zij kunnen door elke der Kamers worden uitgenoodigd om te dien einde ter vergadering tegenwoordig te zijn.

De ministers kunnen ook lid zijn van Eerste of Tweede Kamer, maar veel is dat bij ons niet voorgekomen.

De argumenten, die tegen de Jvereenigbaarheid van ministerambt en kamerlidmaatschap pleiten, zijn sterker dan die er vóór pleiten. Ook Thorbecke was blijkens zijn „Bijdrage" tegen de vereenigbaarheid. Z. i. kan de minister als zoodanig niet tegelijk ontwerpen van regeeringswege voorstellen en ze als vertegenwoordiger beoordeelen, evenmin als hij tegelijk als volksafgevaardigde verantwoording kan vragen en haar als minister geven l).

Het tweede lid vestigt het recht van interpellatie, hetwelk in 1848 is opgenomen. Voor het vragen over een onderwerp, dat niet aan de orde is, hebben de leden der Kamer verlof noodig van de Kamer s). De minister antwoordt aan de geheele Kamer. Is de interpellatie beantwoord, dan kan de Kamer een z.g. motie van orde aannemen, d. i. een verklaring, dat het debat over het onderwerp gestaakt wordt en alzoo wordt overgegaan tot de

l) Mr. J. R. Thorbecke. Bijdrage, pag. 66.

J) Zie art. 89 K. v. O. Tweede Kamer, en art. 52 R. v. O. Eerste Kamer.

Sluiten