Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van totstandkoming, en men redeneert dan aldus: een wet is een besluit, tot stand gekomen door samenwerking van Koning en Staten-Generaal, onverschillig wat de inhoud van dat besluit is. Zoo beschouwd, geeft art. 109 in 't geheel geen opdracht, maar is zijn beteekenis aldus te verklaren: De grondwet eischt in verschillende gevallen een wet, bijv. in art. 9, 24, 150 enz.; art. 109 zegt nu, hoe zulk een wet tot stand komt, nl. zij wordt gemaakt door Koning en Staten-Generaal gezamenlijk.

De vraag, of art. 109 in materiëele dan wel in formeele beteekenis moet worden verstaan, wordt door de gezaghebbende schrijvers verschillend beantwoord.

Afgescheiden van bovengenoemde kwestie staat een andere nl. wie of de wetgever is. Art. 109 zegt het duidelijk: Koning en Staten-Generaal gezamenlijk, en toch wordt wel eens anders beweerd. Sommigen x) willen de stelling verdedigen, dat de Koning alleen de wetgevende macht heeft. Zij moeten dan natuurlijk komen tot een gedrongen uitlegging van art. 109, hetwelk zij in dien zin opvatten, dat de Staten-Generaal medehelpen aan de vaststelling van den inhoud der wet, doch dat de wet alleen van den Koning uitgaat. Dat deze leer niet door onze grondwet gehuldigd wordt, werd reeds bij art. 59 opgemerkt.

Het zij hier de plaats om na te gaan hoe een wet tot stand komt.

Zoowel Koning als Staten-Generaal hebben het recht voorstellen van wet te doen, doch de praktijk leert ons,

') Bijv. Lohman. Onze Constitutie.

Sluiten