Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wet vastgesteld, bijv. dié van het vestingstelsel en van de Algemeene Landsdrukkerij.

Iedere begrootingswet is vergezeld van een Memorie van Toelichting en een staat, die nog een nadere specificatie geeft.

Men zie verder de artt. 23 e. v. der Wet Rekenkamer.

Memorüposten zijn posten, die geen bedrag vermelden; dat wordt door het woord „memorie" vervangen. Zulk een post wordt op de begrooting gebracht, als de noodzakelijkheid van de uitgave vaststaat, doch de hoegrootheid om de een of andere reden nog niet vermeld kan worden.

Art. 126.

De verantwoording van de Rijksuitgaven en ontvangsten over elk dienstjaar wordt, onder overlegging van de door de Rekenkamer goedgekeurde rekening, aan de wetgevende magt gedaan naar de voorschriften van de wet.

De begrooting noemt men de voorloopige, de rekening de definitieve financiewet.

De grondwetten van 1814 en 1815 eischten niet dat er verantwoording moest afgelegd worden van het financieel beheer en eischten slechts een uitvoerig verslag. De Grondwet 1840 bracht belangrijke verbetering, door te bepalen, dat, wanneer de ontvangsten en uitgaven van ieder dienstjaar door de Algemeene Rekenkamer waren afgesloten, de aldus afgesloten rekening jaarlijks aan de Staten-Generaal zou worden medegedeeld.

De Grondwet 1848 hield ongeveer dezelfde bepaling in als die van '87, doch bevatte nog de zinsnede: Het slot van de rekening wordt door de wet vastgesteld. Dit is in 1887 vervallen, toen bovendien nog de uitdrukking is toegevoegd: naar de voorschriften van de wet.

WlJTHOFF 12

Sluiten