Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vastgesteld. Ook werden de Afgescheidenen vervolgd en eerst in 1839 als een afzonderlijk kerkgenootschap erkend. De Grondwet van 1848 huldigde het beginsel van scheiding, waarvan het gevolg was, dat de Hervormde kerk in 1851 zelf haar reglement vaststelde. Verder werd in 1848 door opname van ons art. 173 het recht van placet afgeschaft. Sedert is men steeds verder gegaan met aan het beginsel van scheiding zooveel mogelijk uitvoering te geven. Zoo werd in 1861 het Collatierecht van den Staat opgeheven, dat is het recht om invloed uit te oefenen bij de benoeming tot kerkelijke bedieningen. In 1870 werden de afzonderlijke departementen van eeredienst voorgoed opgeheven, en ondergebracht bij Justitie.

De wijziging van 1887 heeft in deze afdeeling geen verandering gebracht, omdat er, vooral ten aanzien van de financiëele regeling, een groote oneenigheid bestond, die een vergelijk tusschen de verschillende partijen onmogelijk

maakte. *

De wet op de kerkgenootschappen is van 10 bept. lbbó (Stbl. 102). Men zie van die wet vooral de artt. 1, 2, 5, 7, 9, 10, 12 en 13, en lette in het bijzonder op de eigenaardige strafbepalingen.

Art. 167.

Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet.

De vrijheid van godsdienst mag niet zoover gaan, dat met een beroep op die vrijheid de strafwet overtreden zou worden.

Art. 168.

Aan alle kerkgenootschappen in het Rijk wordt gelijke bescherming verleend.

Sluiten