Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grond van zijn arbeiderschap erbij, hij vraagt inderdaad naar het karakter dier beweging, gelijk ze in de Partij belichaamd is, en bevindt, dat ze onafscheidelijk samenhangt met een wezenlijk anti-godsdienstige theorie, welke openlijk als haar hoofdwapen wordt aangewend en aangeprezen in den politiek-oeconomischen strijd. Kwam hij, door 't programma aangelokt, de Partij werkelijk binnen, wèl zou 't hem duidelijk worden, dat de sociaal-democratie heeft „eigen denkmethode", volgens welke hij van rechtsstrijder bovenal klassestrijder behoort te worden: als eenige eisch zou hij zich voortdurend hooren toegevoegd, dat hij „den klassenstrijd van het proletariaat daadwerkelijk en voluit" had „mede te voeren" '); en zijn innerlijk rechtsbesef, uit liefde tot God en den naaste geboren, zou als zoodanig, naar men leert, aan zijne klasse niets te zeggen hebben, dan voor zoover 't kon worden geacht uit klassebesef, dat menschheidsbelang in zich sluit, te zijn geboren; het klassebesef, in geval van verschil, aan zijn rechtsbesef alles.

Al stelt zich dus Troelstra den christen-arbeider reeds lichtelijk marxistisch beneveld voor den geest, toch rijst in hem 't vermoeden, dat niet veel positief-christelijke arbeiders zich bij de Partij aansluiten zullen. Wel kunnen zij dit „volgens haar algemeen beginsel-program zeer zeker", maar hij „kan niet ontkennen, dat in de partij verscheidene vraagstukken ter sprake komen, waarin de nieuwe levensbeschouwing, die zich mèt de klassebeweging uit nieuwe toestanden heeft ontwikkeld, zich uit." Ofschoon het „verketteren" van godsdienstige partijgenooten afkeurende, wéét hij, dat de beweging niet is eene abstrakte grootheid, maar een uitwendig waarneembare realiteit. Nieuwe ideeën gisten en bruisen en zoeken om uiting; het is onmogelijk en ongewenscht, dezen het zwijgen op te leggen, en daarom zal de arbeider, die

') Vgl. de hierboven aangehaalde woorden van Troelstra, blz. 5.

Sluiten