Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eene tweede levenwekkende macht is de Natuur. De natuur, met' haar morgenstond en avondrood, haar sneeuwkleed en haar kleed van bloemen, haar geuren en kleuren, haar vroolijk vogelenlied en hare ernstige stemmen in den storm; de natuur, met haar wouden en hergen, haar oceaan en haar sterrenhemel, sterrenhemel vooral, die, rein en hoog, de gedachten verruimt, den overkropten boezem ontlating geeft. Eene levenwekkende macht is de natuur, zij, de eeuwig-veerkrachtige, zij, met hare onverwelkelijke jonkheid, de natuur met haar Lente.

De lente is weder daar. Niemand kan zich onttrekken aan haren invloed. Heerlijke nieuwheid aanschouwen wij allerwegen. Wel hem, in wien een verlangen ontwaakt naar harmonie tusschen eigen stemming en de stemming der natuur. Onherroepelijkheid is de eigenschap van het verledene — maar 's menschentoekomst hebben wij voor een goed deel in eigen hand. Geen leven zoo duister, geen leeftijd zoo hoog, of de lente heeft er een blijde tijding voor te brengen. Al zou ons nog maar een enkele dag levens resten, — er is voor de ziel des menschen als voor het weefsel der natuur om hem heen vernieuwing des levens mogelijk.

30 Maart 1896.

Sluiten