Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten slotte de zaken, zoals het in een ouderwets verhaal betaamt, tot ieders genoegen af*).

Wat in deze roman de aandacht trekt, — ofschoon het in de Torec evenmin over 't hoofd mag worden gezien, —• is het in sterke mate aanwezige ethies element. Hoewel het stuk, onevenredig van bouw, bovenmatig sleept wegens de beide Walewein- en Lancelot-episoden, moeten toch deze bijkomende verhalen als aanwijzingen opgevat worden, in welke mate de zoekende ridders zich de zwaarste opofferingen hebben moeten getroosten, en welk hoog belang er onder het dragen van dergelijke beproevingen, aan het terugvinden van de „Graalkoning" verbonden moet zijn. Evenals in de T o r e c, is de handeling in de Moriaan een onafgebroken strijd tegen het Noodlot, dat keer op keer de helden van 't verhaal schier onoverkomelike hindernissen voor de voeten werpt. Lancelot en Walewein komen hun ondergang nabij; Perchevals wederverschijning lijkt verder dan ooit verwijderd ; doch ginds in het Morenland wacht de treurende en veronachtzaamde vrouw, gebogen onder het wicht van jaren van schande. Haar eerverlies is de zweepslag die de Moriaan, en met hem, de anderen voortjaagt, totdat tenslotte de noodkreet des Konings tot het berechten van nieuwe moeilikheden en een nog hoger inspanning prikkelt. In 's dichters geest is de „bastaard," •— vandaar dat het stuk naar hem is vernoemd, de veer der handeling, de drijvende roede. Vóór hij de hofridders gaat ontmoeten, heeft hij elke sterveling, die zijn wegen kruiste, uitgedaagd, met het opdringen van de eis: „Spreek, opdat ik mijn vader vinde !" Hij draagt er roem op, nooit verwonnen te zijn.

Kracht ligt er in zijn woord,, vuur spat er uit zijn staal. Hij is sterk, en groot, en regelmatig gebouwd; wat betekende zijn zwartheid ? Zijn schoonheid was er niet minder om.2) En zó sterk heeft zijn jaren lang gedragen wrok zijn gevoel beledigd, en zo pijnlik heeft hem de herinnering aan zijn duistere geboorte gekweld, dat hij door de merediaan van

M vs. 4655—4704.

') vs. 769—772.

Sluiten