Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heren van zijn gevolg, aan krachtiger middelen gaan denken. Het verhaal wil een ontknoping, en de belegeraar een beslissing ; de koning zal Galiene door een bestórming in 'tnauw brengen. Hij stelt zich dus aan 't hoofd van zijn dapperen, en maakt het, geholpen door de afwezigheid van Ferguut, de belegerden zo 'bang, dat Galiene zich haast, een schorsing van de vijandelikheden voor te stellen, en op 's konings hernieuwd aanzoek om haar hand, deze uitweg voor het beste houdt, dat zij het haar tegenpartij aannemelik wil zien te maken, de beslissing over haar lot in de uitslag van een kampstrijd te leggen. Wat de koning gunstig moet stemmen, is het aanbod, dat de door de koningin te kiezen kampvechter het zal moeten opnemen èn tegen hèm, èn tegen een door hem zelf te kiezen strijdgenoot. De vraag voor Galiene wordt nu, welke ridder genegen zal zijn, om die ongelijke kans wil wagen ! Zij zoekt, maar vindt er geen. De gestelde termijn van veertig dagen zal spoedig verstreken zijn : Galiene dient zich te haasten. Ten einde raad, wendt ze zich tot koning Artur. Lunett e, een van haar edeldames, reist naar het hof, om ondersteuning. Doch 's Konings paladijnen vindt ze afwezig, om een reeds lang verdwenen h e 1 d op te sporen, en Lunette moet, na enige dagen wachtens, ongehoord heengaan. Straks, na de afloop van het bestand, is de kans verstreken ; wat zal het lot van haar meesteres zijn ? Dodelik bedroefd neemtzede terugweg aan, en komt troosteloos bij Galiene. Geen hulp en geen uitkomst ! Alléén kon ze Galiene deelgenoot maken van de onzekere troost, dat, op haar terugweg, een ridder met een wit schild haar in 't woud had aangesproken, die haar naar de reden van haar bekommering had gevraagd, en haar, op 't verhaal van haar wedervaren, uitdrukkelik verzekerd had, dat haar Vrouwe op zijn hulp kon rekenen. Alleen deze vage hoop had Lunette kunnen meebrengen. Maar daar had Galiene zelf, naar deze meende, al heel weinig aan. „Juist hij die mijn hart heeft," klaagt ze, „kijkt „niet naar me om; en wat de ridder betreft van wie ge spreekt, „deze heeft zeker maar iets voor de leus gezegd, om uw verdriet te verzachten. Laten we opstaan, tot het gebed !

•) vs. 4093—4661.

Sluiten