Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„willen komen 1" Toen sloeg hij de ridder voor de derde maal en tegelijk kwam de slag zo hevig neer op de handen van Isabel, dat ze er van begon te bloeden. Woedend en buiten zich zelve stoof Walewein op. „Schoft," riep hij, „dat zal „je rouwen 1" en met zijn handen spande hij zijn boeien zó sterk uit, dat hij ze stuk brak : iets wat schier onmogelik schijnt. Misschien deed het wel de kracht Gods. Maar zeker is het, dat hij vrij was. Heftig sprong hij de booswicht te lijf, die zijn beminde geslagen had ; hij greep hem, die met de ene voet buiten de deur stond, bij de mouw van zijn arm, en trok hem naar binnen ; vatte hem bij de keel, wierp hem tegen de grond, en sloeg hem met zo'n kracht, dat de man zijn hersens in 't rond spatten en hij onmiddellik de geest gaf. „Daar," zei Walewein, „je hebt je loon góed te „pakken 1"

De stok, waarmee Walewein geslagen was, raapte hij op en zei: „Mijn liefste ik heb de mishandeling die je hebt on„dergaan, gewroken. We gaan van hier; daar ligt de bewaar„der. Er kan ons niets anders dan goed van komen. Luister: „die stok komt ons goed te pas. Mijn handboeien zijn los. „Wat zal de vos blij zijn, als hij het te weten kon komen. „Wees niet bang, ik zal uw boeien verbreken." Toen nam Walewein een steen, en sloeg de jonkvrouw de voetboeien stuk. Daarop ontnam hij de dode bewaarder diens zwaard en de sleutels, sloot de kerkerdeur buiten af, en zei: „Mijn „liefste, ik weet wel dat God ons met Zijn kracht heeft „geholpen. Wij zullen nog heden nacht van hier vluchten, „en hij die het zal willen beletten, zal er grote last en schande „van ondervinden I"1)

Diepe verguizing naast koninklike hulde; matte verslagenheid naast een tot ruwheid geprikkelde kracht; een alle pieëteit bespottende liefde naast de heilige verering van tedere banden: wel zoekt men vóór binnen-bouw naar wijd-uitgestrekte muren; vóór inhoud naar omtrek. De litteratuur, die de ridders tot helden koos, spiegelt ook de levensen wereldbeschouwing dier ridders af. Ze vroegen in 't grote en in 't kleine, alleen naar de grenzen. Ze zagen

') vs. 9092—9281.

Sluiten