Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roepen naar Ingelheim. Daar moet hij Eggeric bekampen, die, na zijn aankomst op 't slot, gevangen genomen, de door hem beraamde aanslag durft te lochenen, en zich zelfs aanbiedt om ieder die de aanklacht van verraad tegen hem staande houdt, met zwaard en speer van logen te overtuigen. Elegast zal nu de aanklager zijn. Elegast zal hem staan. En zodra deze opgeroepen ridder speer en zwaard opneemt om tegen Eggeric te kampen, zal hem, ingevolge 's konings verzekering, al 't overige vergeven zijn. En Elegast komt.

Tans volgt het tweegevecht, de bekende vorm, — naast de vuur- en de waterproef, — van gerechtelike instructie, welke door de Middeleeuwers werd ingesteld, wanneer het menselik oordeel, zich zelf als ontoereikend erkennende, in juistheid en billikheid vreesde te kort te komen, en daarom 't oordeel Gods inriep, om aanwijzing te willen geven of al dan niet de ^ beklaagde schuldig moest worden bevonden. God nu zou in deze oordelen over de schuld of de onschuld van Eggeric. Was hij schuldig, dan zou de Hemel hem Zijn bijstand onthouden, en de arm sterken van zijn tegenpartij. En God, die rechtvaardigheid wil, laat in alle opzichten Eggerics minderwaardigheid uitkomen. In ridderlikheid, in trouw en dapperheid, in vroomheid en eer, is Eggeric de mindere, en Elegast de meerdere. Vóór de tweekamp, zinkt Elegast op de knieën, om zich aan te bevelen in de hoede van God en de Heilige Maagd ; de snode Eggeric bidt niet. En ook dit verheft Elegast's eer, dat hij zijn tegenpartij, wanneer deze eenmaal geveld ligt, weer laat opstijgen ; omdat hij geen voordeel wil trekken uit diens hulpeloosheid, maar wel roem uit diens hardnekkigheid. En God loont de deugd, en verhoort Elegast, zo mede Karei, die God bidt om hem Zijn rechtvaardigheid niet te willen onthouden in deze netelige zaak. Eggeric, dodelik getroffen, stort van zijn strijdros. Hij wordt met de zijnen gehangen.

Karei en Elegast zijn niet ondankbaar : zij loven God. Tans staan zij niet langer in dezelfde verhouding als te voren, als de onrechtmatig wrokkende leenheer en de onrechtvaardig vernederde dienstman. De Koning belooft alles te zullen vergeten ; en ook Elegast heeft, alvorens de

Sluiten