Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't Is bruyloft in de wey; 't is boter tot den boom.

De koe is klaverkiesoh: de hemel druppelt room.

Ons' fuyoken sijn vol visoh, dat merckt men aen 't gespartel

De leeuwerck quinckeleert: ons' kalvers springen dartel.

Maar 't had niet verteld mogen worden, hij had moeten neuriën, vrolik neuriën, zoals men zonder te zingen toch de zang kan laten horen in een schalks volksliedje.

Er zat geen rythmus in. En weer breng ik dit verwijt van deze passage in 't bizonder, over, op de voordracht in 't geheel: er zat geen rythmus in.

Roerend-godsdienstig was het dankgebed der jonge vorstelike moeder : (vs. 607)

Uw' dienstmaeghd is bereyd: maer leyder! sij is schuw; Sy kent haer onmaght heer.

Dat woordje onmacht werd zo gezegd, dat hij daarmee de hele zaal in eens had.

In dit gebed liet het geheugen de kunstenaar even in den steek, gelijk trouwens vele malen gebeurde. Maar meestal was hij zeer gelukkig in 't kiezen van een synoniem woord van eigen maaksel. Hier echter viel dat, o jammer ! belachelik uit. De prinses zei: (vs. 615)

lek sal mij evenwel verstouten, en voor elck In 't openbaer uw' lof, met sidderenden kelck, Verkonden overluyd;

toen haperde de heer Royaards even, en zei stoutmoedig :

en mijnen roem herhaelen,

in plaats van uwen roem, namelik : Gods roem.

't Geheugenwerk van deze voordracht trekt zeer de aandacht van 't grote publiek ; men kijkt er naar als naar een acrobatentoer. En toch is 't een waardeloze bijzaak. Waarom niet de tekst in de hand genomen, geschreven op mooi folio, Oudhollands papier. Dat geeft rust aan wie voordraagt en aan wie luistert. (Nu heb ik een paar maal mijn hart vastgehouden, als hij even stokte). Dat zou ook de fouten weghouden, die nu heus ! niet zo zeldzaam waren. Hij sloeg eens vier verzen tegelijk over (425—428), eens twéé (939—940), en ook nog vs. 968.

Sluiten