Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeker, we zijn allemaal mensen, en er is meer overeenkomst dan verschil tussen Socrates en m'n schoenlapper, en alle negers zijn zwart en presies net eender; maar toch wordt in De Negerhut gesproken van „Zwarte Tom" ; de zwartjes zagen wel degelik verschil in mekaars tint ; en zo zien wij groot verschil, kolossaal verschil, in tint en physionomie onzer zielen. Er is bij 't algemeen menselike overal één bizonderheid die karakter geeft. Dat is bij Tony of Anton Bergmann : de melankolie, de treurnis over de eindigheid aller dingen, die misschien in hem ontstond door 't vage bewustzijn van z'n zwakheid, z'n stille vermoeden van 'n vroege dood. Ik heb niet genoeg gegevens om hier iets meer te kunnen doen dan : gissen.

't Begin van 't boek geeft dadelik de grondtoon der hele kompozitie. Eenzaam en stil zit hij op z'n studeerkamer ; dromend kijkt hij naar de wolken ; peinzend luistert hij naar de verwarde geluiden der stad in de verte, die als 'n zucht aan z'n oor komen uitsterven. Opeens hoort hij 't melancholiese geruis der trillende populieren, en door 'n bekende associatie komt z'n hele jeugd met zoete weemoed hem voor de geest. En waar is nu die goede Tante die zo moederlik voor 't weeskind zorgde, waar die trouwe dienstbode ? waar die oude hond ? dat Pannenhuis met die rij van populieren ervoor en die vergulde kozak erop ? Alles wég in dat Verleden dat alles vernevelt en oplost tot 'n grauwe vormloze chaos, zoals de wolken zijn daarboven. En de lieve Bertha, 't kleine Heiligje die-ie aanbad, wég, losgescheurd van 'm, de zwaluwen gevolgd naar 't verre, vreemde land. En roepen de oude huisjes van 't Begijnhof en die oude vrouwtjes zelf niet 't woord des Predikers dalai het menselike maar Wind is ? En Tante, die altijd treurde over Arme Wilhelm die sneuvelde bij Waterloo. En dat oude zolderkamertje waar de stoffige boeken en papieren rustten van haar Vader-zaliger, de notaris ; alles ijdelheid. Jeugdige liefde, jonge studentenvriendschap, 't hele menselik leven is éen uitvaart. De jonge, weer opnieuw verliefde advocaat, brengt elke dag 'n nieuw boeketje mee om dat aan de lieve dochter van z'n patroon te geven; maar hij ziet ze nooit, en de bloempjes blijven in z'n lessenaar liggen en verdorren daar in hun donker graf.

Sluiten