Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar kinderen knap te houden en netjes voor den dag te laten komen ; haar aandoenlijk-kleine eerzuchtigheidj es — denk aan die kostelijke scène met Sprotje als ze haar tule mutsje heeft gekocht! — ; haar schreiend ineenzinken aan de keukentafel bij Sprotje's vertrek, in een wanhopig-voorvoelen van de komende werkoverspanning — de meidenmisère bij den kleinen burgerstand — van welk een innige waarachtigheid is dat alles. En dan Ant met haar pracht i g e n schipper Busselink ; de grootscheepsche baker Diepelink — hoe herinnert haar zich-één-voelen met den „rijkdom" aan Pieternelletje Degelijk met haar, „ónzen koetsier", ónze dit, ónze dat — ; tante Bartje van het hofje met 'r gepriegel ; vrouw Plas, goede, oolijke, flink-aanpakkende vrouw Plas ; Hein in zijn gedupeerde sulligheid .. . . ! Tast waar ge wilt in dit boek, ge zult er niet dan de hoogste voortreffelijkheid vinden .... —

Catherine .... Catherine !.... Nu je zóó vertoornd bent op mij en je mooie heksenoogen zóó fel hun bliksems naar mij schieten, nu dwingt mij wel de zorg voor lijfsbehoud je iets te zeggen, wat ik je gaarne gezwegen had . . . . ! Kind, mijn geschrijf is niéts .... Ook al had ik Sprotje niet boven jou geprezen .... Wat zou 't er hebben toe- of afgedaan, wat je hebben gebaat ? . . . . Want luister lieve .... er wès een prins, een die eeuwig leven zal, al was hij geen sprookjesprins, maar maakte van het leven een wazig en kleurig sprookje, waarin men nochtans het leven feller dan in 't leven-zelf zag. Ook bezat hij het glazen muiltje niet, waarmede die vroegere paste en mat, en verdoemde wat er te gróót voor was — een funest bezit! — maar wat hij had — o,^ iets oneindig beters — dat was de diamant van de Fee Bérylune, waardoor men „1'ame des choses" ziet.... Welnu dié prins, had lang, lang vóór ik dit alles schreef, je Zuster al uitverkoren . . . . ! Je ziet mij ongeloovig aan ? . . .. Kind noem ik je zijn naam, je boosheid ebt in tranen van berusting .... Jozef Israëls was die prins .... —l)

») Men zie De Ploeg, 1911—'12, no. 3: L. Simons en W. J. Steenhoff, Jozef Israëls. — De daarin vermelde uiting van sterke bewondering voor Sprotje had in een aan Mevr. Scharten gerichten brief plaats gevonden. Nederlandsche Kunst VIII 10

Sluiten