Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

misbruik gemaakt; hij heeft zijn collega's metterdaad voorgehouden — een helaas allerminst overbodig betoog — hoe alléén de bepaalde eigenaardige geestelijke en lichamelijke geschiktheid den doorslag behoort te geven bij de rolverdeeling. Zoo heeft hij, sinds hij als directeur van Het Schouwtooneel optrad, zelf nog maar één, één klein rolletje gespeeld: zijn oude rol van den „houten" notaris Vertillac in Barrière en Capendu's ,Faux Bonshommes'. Van zijn vroegere rollen noem ik, na die welke ik in het vorige hoofdstuk aangaf, er slechts enkele — maar wie ze ééns zagen, zullen ze zich herinneren — : Mortensgard (Rosmersholm), de Rabbi in ,Ghetto'; Kobus in ,Op Hoop van Zegen'; Pastoor Bronk in .Allerzielen' ; den Grootvader in ,De Opgaande Zon'.

Over zijn ongemeen begaafde echtgenoote moet ik iets uitvoeriger zijn. Zij is één van onze waarlijk groote tooneelspeelsters ; volkomen evenwaardig in tragische en pathetische rollen, én in het vroolijke; vooral het schalksche. Wie haar de laatste maanden Eva in Laudy's .Paradijsvloek' en Klaar, de meid, in Langendijk's .Wederzijds Huwelijks Bedrog' zagen spelen1), zullen dit onmiddellijk beamen.

Inderdaad, een rol is voor haar als een mediamieke inwerking. Zij is waarlijk en volkomen de meest uiteenloopende personnages, omdat zij met lijf en ziel de personnage die zij heeft voor te stellen, wordt. Royaards heeft eens — in een T.A.V.E.N.U.-artikel — gezegd, dat de acteur als hij gelóóft een ander te zijn, inderdaad een ander i s, dat hij grooter en kleiner zal schijnen naar den eisch der voor te stellen personnage. Hijzelf heeft dat in de practijk bewezen ;

») Van beide rollen vindt men goede, van laatstgenoemde een uitstekende foto in het tijdschrift ,Het Tooneel'.

Sluiten