Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de eigenwaarde van den tooneelkunstenaar, werd door hen luid verkondigd. Tooneelvoorstellingen moesten weer — zoo heeft vóór alles Royaards het gewild — tot weidsch-schoone kunstdaden worden; en wie in dit besef met kennis en gevoel met hem samenwerkten, konden zich niet meer beschouwen als 'n soort kermisklanten.

Het kon niet anders of deze inzichten drongen aan alle zijden in de maatschappij door. De regeering besefte dat deze kunst, onder exceptioneel moeilijke materieele omstandigheden werkend, moest worden gesteund. Het hoofd van het in 1918 nieuw-ingestelde departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, minister De Visser, benoemde een commissie van advies in dezen. De instelling van een dergelijke commissie op zichzelve is, als symptoom van den drang der tijden, welke hiertoe dreef, niet dan een heuchlijk verschijnsel voor het tooneel te noemen. Ongelukkigerwijs was de samenstelling zoodanig, dat het rezultaat van haar arbeid vrijwel bedroevend mag worden genoemd. Men kon verwachten, dat ze zou zijn samengesteld uit deskundigen, tooneelmannen en vrienden van het tooneel; natuurlijk van de meest verscheiden politieke richting. Dit was inderdaad het geval, maar behalve dezen werden — een novum op het gebied van regeeringscommissies — eenigen tot leden benoemd, die nooit eenig blijk van kennis van het tooneel hadden gegeven, personen die zelfs eenigszins vijandig aan het tooneel konden worden geacht. Blijkbaar was de bedoeling van deze benoemingen, de moreele bezwaren welke bij een groot deel van ons volk tegen het tooneel bestaan, reeds aanstonds van invloed te doen zijn op het door de commissie uit te brengen advies. De taak van regeering en volksvertegenwoordiging kon

Sluiten