Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vak 12, de plastiek, de ,,kino-aesthetische plastiek", gelijk het met een onfraaie woordkoppeling wordt beadjectièfd, is een aan onze tooneelschool nieuw-ingevoerd vak. De leeraar in dit vak, de schilder G. W. Knap, heeft, naar de heer Verhagen ons in zijn artikel mededeelt, in dezen een voorstudie gemaakt, expresselijk met het oog op eventueele invoering van dit onderwijsvak op de tooneelschool.

Als uitgangspunt voor zijn studie nam de heer Knap het na een eeuw nog niet verouderde werk van den smaakvollen. acteur R. Jelgerhuis Jzn., ,Theoretische Lessen in de Gesticulatie en de Mimiek', terwijl ook Max Krüger's , Bühne und Bildende Kunst' hem belangrijke diensten bewees. Ik citeer enkele zinnen uit het betoog waarmee de heer Knap de demonstratie van de resultaten van zijn eerste proeven in dezen, bij het eindexamen 1917, inleidde1). „Daar de tooneelspeler zich-zelf niet zóó ziet als de toeschouwer dit doet, moet hij leeren, zich met een innerlijk oog te bezien. Door het bestudeeren van indrukken, welke spieren en gewrichten ondergaan, wanneer het lichaam bewogen of in bepaalde standen wordt geplaatst, ontwikkelt zich bij den leerling eene capaciteit, een „nieuw zintuig" waarmede hij in staat is, de meest volledige voorstelling omtrent zijne uiterlijke verschijning te vormen en zijne geringste bewegingen onder controle te hebben. Leeken, die niet het minste vermoeden hebben van deze innerlijke kracht, verwonderen er zich slechts over, hoe iemand, zonder zichzelf te zien, zijne bewegingen zoo fraai en welbewust weet uit te voeren.

„De vraag is," gaat de heer Knap voort, „hoe deze bekwaamheid geleidelijk tot ontwikkeling kan worden gebracht. Vooreerst dient in het oog gehouden te worden, dat aanleg en geschiktheid dienen aan-

x) Aangehaald in bovengenoemd artikel van den heer Verhagen.

Sluiten