Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit haar nederige, gebukte houding, aan de voeten van het bedroefde menschje, stond re peinzend op.

Ook zij, tante Lize, had geleerd.

Als zij later een dochtertje mocht hebben zoo

weekdroomerig en teergevoelig, en ze brachten ook haar zoo klakloos wreed, dat ongewetene — nee, nee; nooit mocht dat gebeuren. Zij. zijzelf, moest het jonge meisje, in haar armen nemen, zij, zijzelf moest dat openbaren, haar lippen zouden het broze zieltje ontzien, het in

extase beroeren O! en dan een Goddelijke zienswijze

om het rechte moment te bespeuren: tot ingrijpen; tot verklaren van het önQewctenc

Dat gave de Heilige Macht — amèn!

Stil. O! Doodstil was het in de kamer.

Alleen de klok — tikke-takte. tikke-takte.

Wat rustiger nu, vleide het meisje zich tegen de geliefde pleegmoeder aan, vertrouwend opziende, naar het zachte, peinzende gelaat.

Haar „moeke", zooals ze vroeger vaak placht te zeggen — tot jaloersche ergernis van ma — diè zou haar niet voorjokken, die zou het haar vertellen: zooals het was. Want ze had nu het recht: te weten; en weer drong ze aan:

— „Het is dus tóch waar? Toe dan toch, tante?" — Hè! Lies had zoo zielsgraag het tegenovergestelde willen hooren; ze had gewild dat tante levendig opgevlogen was en uitgeroepen had: dat Mien de Rooy

stapelgek was, of. zoo iets. En dan had ze willen

vernemen iets ja ietsfijners, iets meer sprookjesachtigs niét, zoo iets misselijks.

Sluiten