Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liefde, juichende natuur. Zacht omwoei de wind, het teere, blonde meisje, dat met welbehagen de zoete geuren opsnoof, dat vol bewondering staarde op de dons-fluweelige, door de zon gekleurde violen, bezijden de huisdeur.

Ze was vrouw nu al, en vól van vreemde, zwoele aandoening, van troebele, teedere gevoelens.

En ze pleitte voor hèm: misschien was hij de schuldige niet.

Ma kon de mannen zoo aanhalen, echt gek.

Dat zou zij — Lies — nooit doen, bijvoorbeeld: even

de hand op de zijne leggen en zoo

Bespottelijk gewoon.

Ze moést zekerheid hebben, of ze elkaar beminden

Beminden! Welk 'n hemelsch, romantisch woord, 't Moest 'n genot zijn, als zij eens kon zeggen — „Hij bemint me onuitsprekelijk!" Van welken man ook — altijd moest het heerlijk zijn.

Vader was al 'n week op reis.

Nu hadden zullie het prachtig: zij ■— Lies — weggebonjourd, voor 'n paar weken; de meid met kostgeld i— en moeder, die op het huis heette te passen; terwijl papa bij 'r aangedrongen had, toch mee te gaan met hem.

Nee dat huis alleen O; Hemel nee! dat mocht

niet alleen staan. Verbeel je — of de menschen het zoo

in hun zak zouden steken of — inbreken. Nou en als

ze dan zoo bang voor dieven was, waarom borg ze 'r juweelen en 'r geld dan niet op in 'n safe-deposit, en deed ze 'n nieuw veiligheidsslot op de deur, overlegde ze. Maar comédie natuurlijk!

De eerste dagen zouden zij wel op hun hoede zijn,

Sluiten