Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En buiten was nóg even innig het feest der natuur.

Aarde en lucht — ze waren van oneindige ruimte in hun wonderpracht. Nóg!

De duizelende hoogheid der hemelluchten, het parelend gefluit der vogelkens, het windeke, dat, als in teere, verrukte zuchten door de boomen ademde; nóg was alles er als even te voren.

Edoch! Lies Verschoore genoot van niets; liep met neergebogen oogen naast 'r rijwiel — in droef gepeins verloren.

Want de dofheid week van 'r; de ellende in haar begon opnieuw; de strijd in haar streed ze opnieuw; en maakte haar onontvankelijk voor den schoonen praal der feestende natuur.

Sluiten