Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eens toch, toen ik 's avonds tegen 9 uur —- een tijd dat er weinig menschen op straat zijn i— door de calle Mayor — de hoofdstraat — liep, zag ik in een suikergoedwinkel zoo'n teenen mand met rozijnen op de toonbank. Ik vlug naar binnen, pakte de mand en zette het op een loopen; de winkelier vervolgde mij met zijn bedienden en buren. Daar ik beladen was, begreep ik dat, ofschoon ik een voorsprong had, ze mij zouden inhalen, daarom ging ik bij het omdraaien van een hoek van de straat op de mand zitten, wikkelde fluks mijn mantel om het been en begon met het been in de hand te kermen: „Ai, God vergeve hem, hij heeft mij omvergeloopen." Zij hoorden mij dat roepen en bij mij gekomen, begon ik het gewone refrein der bedelaars op te dreunen: „geboren ter kwader ure en in een bedorven lucht" (44). Zij waren bij mij gekomen en vroegen mij met heesch geluid: „Broeder, is u hier een man voorbij geloopen.".— „Hij is u vóór, want hij trapte mij omver, lof zij den Heer." Hierop begonnen zij weer te rennen. Ik bleef alleen, ging met de mand naar huis en vertelde de grap. Zij wilden niet gelooven dat het zóó gebeurd was, ofschoon zij het resultaat zeer toejuichten; ik noodigde ze daarom uit mij den volgenden avond uit winkels doozen, enz. te zien wegkapen. Zij kwamen en bemerkend dat de doozen en kisten zoover in den winkel waren, dat men er met de hand niet bij kon, hielden ze het voor onmogelijk, te meer, omdat de winkelier, naar aanleiding van hetgeen met zijn collega met de rozijnen was gebeurd, op zijn hoede was. Een dozijn passen naar den winkel teruggaande met de hand aan den degen ■— een flinken stootdegen — liep ik er op af en met den uitroep: „Sterf 1" deed ik een

Sluiten