Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vingers eikaars kin. De voor de zielen aalmoezen inzamelende booswicht nam zijn langen rok op, door welke beweging een paar sikkelvormige beenen én een kniebroek van grof linnen zichtbaar werden, en begon te dansen; hij vroeg of Clemente al gekomen was. Mijn oom had nauwelijks gezegd van niet, of, gewikkeld in een soort monnikspij met kap, op klompen, kwam iemand binnen, dien ik aan zijne kleeding en den zwaren hoorn, welken hij in de hand hield — beter ware het geweest als hij dien op het hoofd had gedragen — als 'n zwijnehoeder herkende. Hij begroette ons op zijn manier, en achter hem kwam een mulat, linksch doende en scheel ziende, met een hoed voorzien van een geweldigen bol en enormen rand, met een degen waarvan het beugelwerk aan het gevest met meer traliewerk was voorzien, dan zich bevindt aan de hekken van het koninklijk jachtterrein, en met een buffellederen halskraag. Zijn gelaat had zooveel litteekens, dat het precies naden waren van aan elkaar gezette lappen. Hij ging zitten, het gezelschap groetend, en zei toen tot mijn oom: „AVaarachtig, Alonso, de Stompneus en de Klouw zijn heden wel toegetakeld." De man van de zielen sprong op en zei: „Vier dukaten gaf ik aan Flechilla, den beul van Ocana, om den ezel vlug te laten loopen en niet den dubbelen geesel te gebruiken, toen ze mij er van langs gaven."— „Vive Dioó!' viel de met htteekens gemerkte in, „ik heb het Lobrezno in Murcia overvloedig betaald gezet dat hij den ezel zoo langzaam als een schildpad het loopen, en de schurk bracht ze mij daarenboven zóó hard toe, dat mijn rug vol striemen was." En de zwijnehoeder merkte, zich krabbend, op: „Mijn schouders zijn nog maagdelijk." ~ „Ieder zwijn heeft zijn St

Sluiten