Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geld, en het zou nog meer zijn geweest, als niet een mooi en krachtig gevormde jonge knaap, maar leelijk van gelaat, wiens armen stompen waren en die maar één been had, mij in den weg was gekomen. Hij bewoog zich voort op een laag wagentje op wieltjes, deed met nuj in dezelfde straten de ronde (92), haalde meer aalmoezen op dan ik en dat nog wel met ongemanierd bedelen. Zoo zeide hij met schorre stem, die wegstierf in een door persing van de luchtpijp verkregen piepend geluid, bij voorbeeld: „Gedenkt dienaren van Jezus Christus, hoe de Heer mij gekastijd heeft voor mijn zonden; wat gij den arme geeft, geeft gij aan God", en hij voegde daaraan toe: „in den naam van den goeden J&su". Zóó verdiende hij eene ontelbare hoeveelheid geldstukken. Evenals hij zei ik in het vervolg niet meer Jeéuó, maar sprak de laatste <t niet uit, want ik merkte dat zulks tot vromere liefdadigheid opwekte. Kortom ik veranderde naar omstandigheden mijne spreekwijzen en haalde heel wat muntstukken van voortreffelijk gehalte op. Ik had mijn beide beenen in een leeren zak gedaan en dien dichtgebonden, daarbij had ik mijn krukken. Ik sliep in een portaal van de woning van een chirurgijn met een bedelaar, die zijn standplaats had aan de hoek van de straat — een van de grootste schavuiten die God schiep — hij was zeer rijk en als het ware onze rector (93); hij verdiende meer dan wij allen. Hij had een erge breuk en had met een touw zijn arm naar het schouderblad gebonden, zoodat het scheen, of de hand opgezwollen was, lam en ontstoken — alles bij elkaar. Hij lag plat op den rug met een gedeelte ontbloot, de breuk geheel zichtbaar, die zoo groot was alsjhet bol-

Sluiten