Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want de verliefde menschen kwamen naar mij toegesneld, zóó'n haast hadden zij; sommigen moesten gedichten hebben op de wenkbrauwen, anderen op de oogen van haar, die zij aanbaden, ook waren er die wenschten dat hare handen, en een enkele romanesk aangelegde verlangde, dat haar hair bezongen werd. Alles had eene vaste prijs, aangezien er echter andere soortgelijke gelegenheden (114) waren, stelde ik de prijs laag, opdat men naar mij zou gaan. En wat kerstliederen betreft ? Om die van mij te krijgen, wemelde het bij mij van kerkedienaren en nonnen. De blinden alleen voorzagen in mijn levensonderhoud — voor ieder lied, dat ik hun leverde, kreeg ik acht realen, en ik deed dat op de manier van hem, die «•* men zal het zich misschien herinneren—dat gedicht van „den Rechtvaardigen Rechter" (men zie pag. 75) maakte, plechtig en vol klanken, waarbij men vele gebaren kan maken. Ik dichtte voor een blinde, welke ze voor de zijnen versleet, de beroemde verzen die beginnen met:

Moeder van het menschgeworden Woord, Dochter van den goddelijken Vader, Jonkvrouw, gracievol, maagdelijk, enz. Ik was de eerste die er mee begon om de verzen evenals de preeken te eindigen met: „nu de genade, hierna de heerlijkheid," bij voorbeeld in dat gedicht van een gevangene in Tetudn:

Wij bidden met oprecht gemoed Tot den hoogen Koning, alvermogend, Die toch ziet ons standvastig geloof. Dat Hij ons nu geve Zijn genade En hierna, daar, de heerlijkheid. Amen. Door al die zaken ging het mij voor den wind, zóó zelfs dat ik er aan dacht om tooneeldirecteur

Don Pablo 13

Sluiten