Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Napels had willen werpen met behulp van Venetië en van Frankrijk; natuurlijk zou Quevedo, zijn rechterhand, ook aan dit komplot hebben deelgenomen. Deze verdachtmaking, hoe dwaas ook, vond geloof aan het Hof te Madrid en vermeerderde daar den reeds sedert eenigen tijd gekoesterden argwaan jegens den onderkoning. Deze begreep zijn gevaarlijken toestand, en weder ontving Quevedo de opdracht naar Madrid te gaan om Osuna's zaak te verdedigen. Een samenloop van omstandigheden maakte deze zending voor Quevedo eene zeer moeilijke. In October 1618 was de alvermogende eerste minister, de hertog de Lerma, in ongenade gevallen; hij werd opgevolgd door zijn zoon, den hertog de Uceda, van wien hierboven werd gezegd, dat hem door den Napolitaanschen onderkoning een eeregeschenk van 50.000 en voorheen een van 30.000 dukaten was toegezonden. Bovendien was, gelijk wij reeds weten, Osuna's zoon gehuwd met de dochter van den thans het heft in handen hebbenden minister. Zooals Quevedo in een van zijne geschriften bericht, wenschte hij den nieuwen gunsteling des konings onomwonden een woord van waarheid te zeggen. Hij maakte den hertog zijne opwachting en bracht hem onder het oog dat het velen vijanden van Osuna, waaronder in de eerste plaats de agenten van de Venetiaansche republiek, was gelukt den koning met de zwaarste beschuldigingen tegen den vicekoning in kennis te stellen, en verder dat, aangezien hij, Uceda, deze inblazingen niet had kunnen verhinderen, hij nog minder in staat zou zijn den eenmaal in 's konings gemoed postgevatten noodlottigen indruk weer weg te nemen. Hij eindigde met te wijzen op de

Sluiten