Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schelmenromans vooruitgang te bespeuren. Zoo verdient de vertaling: „Het leven, de lotgevallen en guitenstukken van den kleinen Lazarus van Tormes, uit het Spaansch van Mendoza door J .P. Arend, Amsterdam bij J. J. Abbink 182412°", eenige waardeering. Ook bij enkele vertalingen in het Fransch, Engelsch of Duitsch doet zich dat verschijnsel van het onnutte en leelijke bijwerk voor, maar in veel minder mate dan bij de hollandsche vertolking. Een uitzondering op dit broddelwerk maakte Gerbrand Adriaens Bredero, wien wij eene goede omwerking te danken hebben van een hoofdstuk van den zooeven genoemdenpicareéhen romein van de Mendoza: Vida del Lazarillo de Tormeóy de óuó forturuuy adveréidadeó, die te Burgos in 1554 verscheen. Hij bracht die omwerking in 1617 op het Amsterdamsche tooneel onder den naam van „De Spaenóche Brabander". In de beide laatste eeuwen begon het Hollandsche pubhek overzadigd te worden van al die kluchtigheid, en bij het op een hooger peil geraken van den literairen smaak, werden dergelijke naargeestige producten met „bedorven tekst" ter zijde geworpen. Dat had Ten Brink ook moeten doen, althans had hij zich niet daarvan moeten „bedienen" en dergehjke brokstukken niet aan zijn lezers behooren op te disschen en bovenal niet (en dat moet hem het zwaarst worden aangerekend) uit dien „bedorven tekst" (zooals hijzelf dien noemt) een lichtzinnig oordeel over het werk van een groot man mogen vellen. Hij tracht het wel weer op andere wijze goed te maken, maar de eerste indruk, dien men krijgt van zijn critiek: „Quevedo's platheden rieken naar den mesthoop", „stercoraire aardigheden", „verdachte aardigheden', blijft bij den lezer hangen. Toegegeven moet wor-

Sluiten