Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De moeder was naast haar jongen neergevallen, het gezicht ter aarde. Ze weende niet, want haar verdriet was te groot. Ze wist niet, wat er om haar geschiedde. Ze was niets dan smart, en haar bewustzijn viel daarin terneer als een steen in bodemloos water.

De schout had zich door de massa gedrongen, en hy stond voor de roerlooze groep, moeder en kind.

„Wat is hier geschied?" zoo vroeg hij.

Er was een stem uit de menigte:

De knaap is vermoord, en die de daad heeft bedreven, ligt er niet ver vandaan."

't Volk morde:

„De moeder heeft 4*aar eigen kind gedood. Daarom kan ze niet weenen."

Men begreep niet, dat het leed geen klank heeft. De schout beval zijn dienaren, de vrouw mede te nemen, en haar in 't gevang te werpen.

Nadat zij uit haar angstigen droom ontwaakt was, en sidderende overeind rees, zag ze met angst, dat men haar alleen had gelaten. Ze sloeg de handen aan het voorhoofd, en trachtte zich te bezinnen. Eensklaps stiet ze een snerpenden gil uit.

„Jean — mijn kind."

Ze zonk op haar knieën en betastte den vloer.

„Hebben ze jou van me weggenomen?

Haar handen, zoekende, glijdende over den bodem, raakten de vochtige steenen van den wand. Ze richtte zich iets op — het was alles steen — dat zy vond — klamme, zweetende kilheid. Zij probeerde m de enge ruimte iets te vinden, waaruit zij begrijpen kon, welke plaats men haar had aangewezen. Haar woning was het niet Bij het tasten stiet haar been tegen een hard voorwerp ep in dezen klankloozen, kleurloozen nacht, begrepen eindelijk haar blinde vingers, dat het een brits was.

'tKot!" riep ze in angst. „O! waar heb ik dat aan verdiend? Mijn kind dood en ik in 't gevang!

Sluiten