Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen werd zij angstig. Waarom gingen zij drieën zoo langzaam? Zy liep hen tegemoet.

„Reynout! Reynout! mijn zoon! Uw vrouw gewan een kmdeke.

Hij zag haar niet aan, terwijl hij sprak. Moede zonk zyn hoofd meen.

„Leg mij in het blanke bed, opdat ik ruste. Ik ben ziek."

„Reynold ! Reynold ! zone mijn, Din vrouw gewan een kindekijn," „So leget mi in die coetse blank, Opdat ic ruste. Ic ben crank."

„Reynout! gij zult niet sterven. Gij moogt niet sterven " Men droeg hem naar het bed. Men strekte zijn leden uit „Reynout! uw vrouw wacht op u. Zij wil u haar kind toonen.

„Laat mij sterven, moeder ..."

„Reynout! groot is uw roem. 6! mijn arm moederhart O! uw vrouw, die naar u verlangt! O! uw kind, dat geen vader zou hebben. Sterf niet."

„De lansepunt drong mij in den rug — niet in mijn borstbenikgewond. Een verrader was het, die mij doodde "

„bpreek niet van den dood."

„Ach moeder! 't Is alles God's wil. Doe de klokken luiden, wanneer ik gestorven ben . . . Luid de klokken Zeg myn vrouw vaarwel — zeg mijn kind vaarwel "

Hy stierf, de edele ridder van Valkenburg

De klokken luiden met doffen, dooden klank. Zij hielden niet op. Ze droegen de smart over het verre land. Al het leed dezer wereld was er in den klank dezer klokken

„Waarom zijn de klokken heden zoo treurig, moeder?"

„Myn dochter! 't is een ommegang met vaan en kruis en psalmenzang.

J'Pan.w!1 ik sIaPen, en droomen van mijn held " . Zy glimlachte in haar slaap. Ze zag haren ridder op zyn ros en achter hem drommen van lansknechten en edelen, luide roepend zijnen naam. „Reynout van Valkenburg!"

Sluiten