Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het onderruim had hij niets dan goudgeld geborgen, dat was van de rijke weduwe. Hij kwam in vele steden, waar hij kostbare dingen zag, alles heerlijk, om te bezitten. Doch overdacht hij dan, of hij nog nooit wat schooners had ontmoet, dan viel hem iets altijd in, dat nog kostbaarder was. Hij zag edel gouden drijfwerk, schitterende diamanten, geborduurde gewaden, Byzantijnsche tapijten, vreemd-gevormde ringen en bracelets, goudbrocaat, doch het was alles van menschenhanden, en huns gelijke trof hij telkens weder. Waren ook niet zelfs de deuren der Stavorensche huizen van zuiver goud, en zou men niet met de vrouw spotten, die een schipper uitzond, om haar 't kostbaarste te halen, terwijl deze slechts met iets terugkwam, dat bijna ieder in de stad kon koopen? Meuigen koopman en kramer vroeg hij:

,,Toon mij 't schoonste, wat gij hebt," maar als 't hem getoond was, schudde hij zijn hoofd en zeide droeve:

„Dat zoek ik niet."

Eindelijk op zijn zwerftocht, kwam hij in een rijke stad, waar hij nog nooit geweest was, Danzig is haar naam. Hij begon er te vragen, wat hij overal gevraagd had, bij goudsmeden vooral was zijn tocht. En weder vond hij niet.

Toen besloot hij, ook deze stad te verlaten, en nog verder Noordwaarts te varen. Hij had gehoord, dat er in verre streken dierenhuiden verkocht werden, kostbaarder en zeldzamer dan hermelijn. Die wilde hij koopen.

Het was de laatste middag, dat hij nog in Danzig was.

Hij kwam langs een onaanzienlijk gebouw, en zag naar binnen.

De deur was geopend, en aldus zag hij het kostbaarste, wat hij ooit gezien had, oneindig veel rijker dan goud en zilver, en schooner dan ooit menschenhanden hadden gewrocht.

Blijde dacht hij:

„Nu heb ik gevonden, wat mijn meesteres begeert. Welken prijs men ook zal vragen, dit kan ik rustig koopen,

Sluiten