Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

neer ik vóór dezen tijd was gestorven. Dan waren mijn vrouw en kind alleen in zorgen achtergebleven, en niemand hier was zoo barmhartig geweest, om hen te helpen. Nog veel jaren moet ik leven — misschien over twintig, dertig jaar kan ik hier gemist worden. En dan nog — Neen! ik wil wachten, tot ik oud ben, en het leven me een last is. Voor dien tijd niet — voor dien tijd niet."

Zijn zoon trad aan de deur en ging vervolgens naar zijn vader toe. Ze spraken over de onverschillige dingen, welke van het leven zijn. Het zonlicht blonk over de wegen en het land, met blijdschap wezen zij elkander op de rijke oogsten, welke te wachten vielen, van graan en vruchten.

„Wanneer het vannacht regenen zal", zeide de vader, „mogen wij wel 't allerbeste hopen."

„Er is daarop geen kans", meende de zoon. „Er zweeft geen wolkje aan de lucht."

„Het gebeurt meer, dat er dan toch onweer komt — men zegt wel eens uit een onbewolkten hemel."

„Kom vader! dat zal wel nooit gebeuren."

De man antwoordde niet. Hij staarde voor zich uit.

Toen zag de doode, dat in de verte de avond kwam. Het zonlicht aan den horizon werd mat-rood gesluierd, een huivering beefde door het graan, en het groen der boomen werd donkerder, ervóór was een violette tint.

„Onweer zal er niet komen", zeide de jongen.

Ze zwegen beiden.

Langzamerhand begon de avond lucht en aarde te omvatten. Was er ginder een weg geweest, waaraan boomen stonden? Even nog geleden was de zon een vuurbol — thans was er slechts nagloeien van den ontzaglijken gloed, en overigens was 't al grauw aan den horizon. Ook het graan, ook de bongerd, ook de slooten, ook de molen werden door warrelingen van schemer omhuld, het geleek, of alles verder werd gezet dan het in den dag had gestaan, verdwijnende.

Het oogenblik kwam, dat de doode de gedaante zag

Sluiten