Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een hevige pijn was zijn angst, want thans zou 't alles anders worden. Hij hoopte, dat het lang zou duren, voor hij zijn meisje weer zou zien.

Ze kwam reeds voor den middag, en, toen hij haar zag, bedacht hij schamper, hoe ze van mooi-Ann verschilde, in gelaat en kleeding. Haar stem klonk hem ruw. Had hij vroeger van haar gehouden?

„Was je gisteravond ziek, dat je niet kwam?"

„Nee —" zeide hij somber, „ziek was ik niet. Waarom dacht je dat?"

„Ik heb op je gewacht, maar ik had er nog kunnen staan. Waar was je?"

„Ik ben op mijn eentje uitgeweest. Mag ik dat niet?"

Ze keek hem verbaasd aan. Hij had haar nooit veel van liefde gesproken, en dat had ze ook niet verlangd. Ze mocht hem gaarne, en als ze aan de toekomst dacht, werd zijn beeld nooit vergeten. Ze zouden op een boerderij wonen, als man en vrouw. Meer behoefde ze niet te weten. Dat was haar liefde en haar geluk.

„Ik hoop, dat ik vanavond niet hoef te wachten", sprak ze lachend. Ze meende, dat hij mede zou lachen. Zijn gelaat bleef ernstig.

„Je hoeft niet op me te wachten", zeide hij, „ik kom nooit weer."

Nog meende zij, dat hij gekscheerde. Ze nam speelsch zijn hand.

„Ben je gisteravond naar de herberg geweest?" „Nee."

„Waar was je dan?"

„Daar heb je niets mee te maken."

Toen eerst wist zij, dat hij haar haatte om een geluk, welk ze niet geven kon. Wanneer zij woorden voor haar leed had gekend, zou ze gezegd hebben, dat zij van hem hield. Ze wist niets te doen dan te zwijgen, maar ze nam haar schort, en legde die voor haar oogen. Weg was de toekomst, met den man, de boerderij, den bongerd en de

Sluiten