Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het snoer paarlen was gelegd om haar hals, en dat ze vijf armbanden in haar hand hield. Ruw voerde men haar naar den heer.

Voor hem bekende zij alles, hoe ze maanden lang had geloerd, om in de schatkamer te komen, en hoe 't haar eindelijk was gelukt. De stem, waarmede ze zeide, dat slechts de deur haar had belet, om haar plan uit te voeren, klonk als een vloek. Ze meende niet anders dan dat ze ter dood zou worden gebracht. Haar hoofd hield ze gebogen, en het scheen haar, of ze reeds voelde, hoe het scherpe zwaard sneed door den nek, en terwijl ze haar hoofd dieper nog boog, leek het zelfs voor haar als viel het terneder op den grond. Ze rilde. Ze was nog zoo jong! Van het leven te moeten heengaan, en de wereld was zoo jong. Met al de kracht van haar bloed had ze een man lief — waarom was de dood zoo wreed?

De heer zag haar aan, en zeide:

„Hoe komt het, dat ge hebt willen stelen?"

Ze antwoordde met doffe stem:

„Ik had met mijn bruidegom willen vluchten naar een ver land, doch toen ik de paarlen en diamanten het eerst zag, kon ik niet heengaan. Anders was ik zeker reeds lang weg geweest, en nooit had ge mij kunnen vinden."

Om dit antwoord werd haar rechter toornig.

„Ik ken een betere straf voor u dan de dood. Ik zal de sieraden uit de kamer nemen, en gij zult van de grot een schelpengrot maken. Bij het eerste zonlicht zult gij beginnen en bij het laatste zult gij eindigen, zonder ooit een mensch te zien. Dat zal uw straf zijn."

Den volgenden ochtend ging ze al aan het werk. In den nacht had men in de eenzame grot duizenden schelpen gebracht, van velerlei vorm en kleur, en ze werden als edelgesteenten in der vrouwe handen. Tot haar door klonken van buiten de liederen der menschen. Soms hoorde zij in de verte de stem van den man, dien ze hef had, en om wiens wille ze den diefstal had willen volvoeren. Misschien

Sluiten