Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ga, Lunette" —glimlachte Galiëne droeve, het meisje omarmend. Daarna reed Lunette naar 's konings hof. In de zaal zat de koning eenzaam, want zijne ridderen waren er niet.

„Heer —'' zeide 't meisje „is hier eenig heer, die met mij zou willen rijden ten Rikenstene, waar mijn meesteres belegerd wordt door eenkoning, alleen omdathij haar tot vrouw begeert? Thans zoekt zij een kampioen, die met hèm zal strijden en met Macedone, zijn neef, een moedig ridder."

Troosteloos was koning Arthur's stem:

„Hier is niemand, die voor u vechten kan. De ridders van de tafelronde, de besten, die met mij waren, zijn een ridder gaan zoeken, dien ze gaarne ten hove brachten. Kwam er iemand weder, ik zou hem gaarne vragen uw kampioen te zijn."

Meer dan dertig dagen wachtte Lunette aan Arthur's hof, of er geen ridder weder-kwam, doch de heeren bleven uit. Eindelijk moest ze wel terugkeeren.

Met een zweep dreef 't meisje haar muilezel aan, en 't dier liep, zoo hard 't kon. Dag en nacht reed zij, tot ze kwam in het woud, waar de witte ridder was. Hij zag haar en naderde haar.

„Jonkvrouw! waarom deze spoed?" aldus vroeg hij verwonderd, „kom af van uw muilezel. Ge hebt geen knaap bij u, om u te beschermen. Het is nacht."

„Ridder — laat mij gaan — want ik ben treurig", schreide Lunette.

„Heeft iemand u geslagen, heeft iemand u gekrenkt?"

Lunette hieuw op den ezel, opdat hij verder zou gaan. Ferguut greep den teugel.

„Jonkvrouw! ik moet weten, wat er is geschied, vóór gij verder moogt trekken. Zeg mij, waarom ge schreit."

„Heer! uw naam weet ik niet—" kreet Lunette angstig, „maar ik smeek u, om me te laten gaan. Het is meer dan tijd. Aan den hemel zie ik de sterren, al lang is de zon ondergegaan. Ik moet verder, zeg ik u."

Sluiten