Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achterover, en hij viel in een beek, die door de vlakte stroomde.

„Help mij —" riep hij, „help mij, of ik verdrink. Mijn been is gebroken."

Men haalde Keye uit het water en droeg hem op een schild weg. Ferguut had zich wel gewroken. Het tournooi ging voort.

GoedstredenLanceloot, Gawein, Sagremort, Perchevael, Erec, Bohort, Lyonel, Mereagis, IJwein, Laquis, de koning van Spanje, de koning van Roemenië, ridderen van Anjou, van Provence, maar die 't beste vocht, was hij, die het witte schild droeg.

Allen prezen hem, en de vrouwen vroegen: ,, Wie is die j onkheer ? Zulk een zou men gaarne minnen. Koning Arthur zelf riep uit: „Voor heden geef ik den witten ridder den prijs. Het is nacht. Morgen zal men voortgaan."

Koning Arthur, zijn vrouwen, zijn ridderen trokken weg, ieder naar paleis of huis. Alleen Ferguut bleef eenzaam achter. Nadat men in de hofzaal had gegeten, zag de koning de tafel rond. Hij riep uit:

„Laat ons den ridder eeren, die Keye en mijn ridders heeft overwonnen. Is het niet recht, dat wij hem den prijs gunnen?"

Ze zochten hem ten allen kant, maar zij vonden hem niet, er waren graven en koningen, ridderen uit vreemde landen, doch de held der helden was niet aan den disch. Er was niemand, die hem kende, en vol droefenis ging koning Arthur slapen. Den volgenden ochtend vroeg ging hij ter misse, hij reed uit. Weder volgden hem vele ridders, doch nergens zagen zij Ferguut. De heeren van de tafelronde zeiden tegen elkander, dat ze zich schaamden, daar een vreemde ridder hen had overwonnen. Ieder sprak:

„Als ik hem ontmoet, heden, die gisteren zoo goed streed, ik zal hem overwinnen."

20*

Sluiten