is toegevoegd aan uw favorieten.

De geschiedschrijver en rechtsgeleerde Dr. Arend van Slichtenhorst en zijn vader Brant van Slichtenhorst, stichter van Albany, hoofdstad van den staat New -York

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft in eene richtige behandeling der hem toevertrouwde belangen en dat nog wel van weeskinderen. Maar eerst dient de verweerder te worden gehoord tot het vellen van een oordeel.

Dr. Vrede — de familienaam zou later De Vree worden — verklaarde, dat Brant Aertsen ernaar gestreefd had de bewuste stukken aan de eischers af te geven en ze in het jaar 1634 al gerichtelijk aangeboden had. Curler — dat zal Henrick van Curler zijn, vader van den in Amerika vereerden Arend van C. — had de papieren geïnventariseerd en in bewaring genomen. Maar omdat de aanleggers geweigerd hadden hem Brant Aertsen verschuldigde gelden te voldoen, daarom waren de stukken „iure retentionis" gehouden. Ingeval de eischers de betaling deden, zou de gedaagde de chartres overleveren. Deze gaf hierr voor zijne declaratie.

Derhalve concludeerde zijn pleitbezorger, dat „by sententie sal worden verclaert, dat gedaegde bevoecht sy die segel ende bryeven van de impetranten so langhe onder sich te holden, totdat hem van de impetranten wegens siin angewende costen sy gedaen satisfactie, dat d'impetranten in haer ijsch ende conclusie sal worden ontsegt, met absolutie cum expensis."

Hooren wij, wat Dr. Brantsen hiertegen heeft in te brengen.

Het mocht waar zijn, dat de stukken aan de impetranten gepresenteerd zijn, maar deze hadden al lang „gedoleert", omdat hun de papieren geweigerd werden ter plaatse, waar ze zich moesten bevinden. Eene week te voren was Brant Aertsen geciteerd om de aanleggers bij te staan in de rekening en dezen hadden hem toen overlevering van de papieren verzocht en aangeboden eenig zilverwerk te leveren. Dit laatste had hun advocaat Brantsen vernomen en hij had gepresenteerd eene obligatie te passeeren, groot omtrent 20 of 30 gulden, indien de aanleggers Brant Aertsen die niet voldeden.

Des verweerders raadsman voerde hier den rechtsregel tegen aan, „dat procuratores et mandatores de stucken iure retentionis mogen onder haer holden, totdat sy voldaen siin". Nu berustten de stukken onder hem als advocaat en zoo spoedig de aanleggers voldeden, konden zij ze verkrijgen.

De uitspraak, in den Rade van Gelderland te Arnhem den 13 Maart 1637 gedaan, was gunstig voor Brant van Slichtenhorst.

Ze luidde:

„Gehoort by den Hove van Gelderlandt partyen (die vooraf genoemd waren) voordraghen ende bedingh ende gelet op 't overgelegde bewiis ende waerop te letten stonde, — 't voors. Hoff condemniert den gedaegde die chartres, pampieren, segel ende bryven van de impetranten aen haer te restitueren tegens reële voldoeninghe van de kosten by den gedaegde angewent, ten wekken eynde d' impetranten sullen hebben te diminuieren binnen drie daghen op des gedaegden overgelechte declaratie, om alsdan tot taxatie ende moderatie geprocedeert te worden nae behooren; die costen van dese procedure om redenen compensierende."