is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der Amsterdamsche stoomvaart

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schappij ten behoeve eener stoomvaart op New-York eene subsidie gedurende tien jaar van ƒ624.000.— 's jaars mocht worden verleend". Hij kreeg echter het antwoord „dat eene onderneming van stoomvaart naar NoordAmerika, hoe groot en boven bedenking verheven haar nut ook moge zijn, aan de eigen krachtsinspanning der belanghebbenden moet worden overgelaten, omdat bij den tegenwoordigen toestand der schatkist elk voorstel tot vermeerdering der staatsuitgaven ontijdig moet worden geacht". Daarna wendde de heer Jansen zich tot de Tweede Kamer, met het verzoek in dezen het initiatief te nemen. Hij vond van velschillende zijden steun; twee colleges van Gedeputeerde Staten, verschillende Kamers van Koophandel en Gemeenteraden zonden adressen van adhaesie in. Deze werden met het adres Jansen ter visie gelegd, opdat de leden na kennisname desgewenscht een voorstel konden doen. Dit geschiedde inderdaad: den 27sten Februari 1871 diende een vijftal leden, de heeren s' Jacob, Kalff, de Bruyn Kops, Stieltjes en Tak, een voorstel van wet in, „inhoudende maatregelen tot bevordering van eenen geregelden stoombootdienst tusschen Vlissingen en New-York." Zij stelden voor om aan een stoombootonderneming, welke vanaf 1 Juli 1872 minstens één maal per maand, en vanaf 1 Juli 1873 éénmaal per veertien dagen van Vlissingen naar New-York hare stoombooten zou doen varen, uit de schatkist gedurende tien jaar eene jaarlijksche subsidie van hoogstens f 600.000 zou worden uitgekeerd. Wij zullen deze zaak, hoe belangwekkend ook op zich zelve, hier niet in bijzonderheden behandelen. Wij stippen slechts aan, dat het voorstel, in een breed opgezette memorie van toelichting verdedigd, in de Kamer scherp bestreden werd met de meest velschillende argumenten, conservatieve zoowel als andere. De Rotterdamsche afgevaardigden wezen op de concurrentie, die met staatsgeld tegen de daar inmiddels begonnen onderneming van Plate en Reuchlin zou worden gevoerd; Rutgers van Rozenburg kwam met de principes van staatsonthouding voor den dag en bestreed in eene, zoo als altijd geestige, maar scherpe rede, het plan. Uiterst merkwaardig was de wijze, waarop de Heer Zinnicq Bergman het nut van gemeenschapswegen in het algemeen bestreed. „Deze maken n.1. de levensbehoeften duurder". De Staat moet zorgen voor het goedkooper maken van deze; „de voorspoed van den arbeider wordt niet bevorderd door het gemakkelijker maken van werkstakingen. Of er veel of weinig handel is, de werkman krijgt het er niet beter door; de Staat zorge er voor, dat de inkomsten niet door