is toegevoegd aan uw favorieten.

Zoek-licht : Nederlandsche encyclopædie voor allen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aeschylus (525-456 v. Chr.), Grieksch treurspeldichter uit een aanzienlijk Attisch geslacht, streed tegen de Perzen

te Marathon, Salamis en Plataeae, Schreef reeds op jeudigen leeftijd zijn treurspelen, waarvan er zeven bewaard zijn gebleven, (De Perzen, De Zeven tegen Thebe, De Smekelingen, Prometheus, Agamemnon, De Choephoren en De Eumeniden). Zijn stukken kenmerken zich door eenvoud en grootheid van opvatting, ook legt hij meer dan Sophocles den nadruk op het noodlot.

Aesculus of paardekastanje is een soort uit de familie der Hippocastaneeën. Zie Kastanje.

Aesopus, gestorven omstreeks 550 voor Chr., een slaaf in Phrygië geboren, was de beroemde fabeldichter der oudheid. Croesus van Lydië zond hem met een gezantschap naar Delphi, waar de priesters zich door zijn scherpe tong beleedigd achtten en hem in een afgrond wierpen. Zijn fabelen zijn eerst door mondelinge overlevering bewaard gebleven en eerst in lateren tijd opgeteekend.

Aesthesiometer is een instrument om de gevoeligheid van aanraking op elke plaats van het lichaam te meten.

Aesthetica (Grieksch) beteekent eigenlijk :deleer vanhet waarnemen. Het Woord „Aesthetica" werd Voor 't eerst door den Duitschen wijsgeer A. Baumgarten in 1750 als titel van een werk gekozen; hij bedoelde met dit woord ongeveer, wat Wij er thans onder verstaan: de wetenschap van het schoone in het kunstscheppen en — genieten. De aesthetica wil een antwoord geven op de vragen: wat is iets schoons, waarom is het schoon, hoe en waardoor wordt het schoone opgewekt. De aesthetica is een psychologische wetenschap, want alle oordeelvelling omtrent het schoone is slechts mogelijk, zoo men een aesthetisch oordeelend subject onderstelt en is slechts door zielkundige ontleding te verstaan. Men kan vijf perioden in de geschiedenis dezer wetenschap onderscheiden. In de lste werd door Plato de algemeene

grondslag der aesthetica gelegd; in de 2de Werd door Aristoteles de grondslag der bijzondere Aesthetica gelegd; in de 3de ontwikkelde zich de psychologischeaesthetica (in de 18de eeuw); in de 4de werd de ae. op stelselmatige wijze opgebouwd (in de 18de en 19de eeuw); in de 5de wordt de proefondervindelijke wijze van onderzoek toegepast (in de 19de en 20ste eeuw).

I. Reeds vóór Plato vindt men bij de Grieksche denkers uitlatingen over het wezen der schoonheid, maar eerst door hem wordt de grondslag voor de ae. gelegd. Hij ziet de schoonheid in het harmonische en symmetrische, dat op zichzelf behagen kan, maar tevens door de betrekking tot de Idee der schoonheid. De kunst moet volgens Plato zedelijke strekking bezitten; hij verwerpt alle kuist, die slechts door schoonen schijn wil behagen. (Vgl. het standpunt van Tolstoy in onzen tijd.)

II. Aristoteles heeft de aesthetische oordeelvelling willen begrijpen. Door zijn invloed werd de ae. een wetenschap der ervaring. Zijn beschouwingen over het drama en de uitwerking van het tragische op 's menschen gemoed zijn van zéér grooten invloed geweest; vooral zijn opvatting der „Katharsis" (zuivering van de ziel bij het aanschouwen van de tragedie). Bij den volgeling van Plato, Plotinus, zien wij een zuiver speculatieve ae. God is voor hem de hoogste schoonheid ; de schoonheid der dingen is slechts een afschaduwing dezer hoogste schoonheid. De scholastiek der Middeleeuwen had weinig belangstelling voor aesthetische problemen. Alleen bij Augustinus en Thomas van Aquino vinden wij daarover beschouwingen. In de Renaissance worden daarentegen vele aesthetische beginselen en theorieën ontwikkeld onder invloed van de klassieke schoonheidsopvatting. Zoo vinden wij bij L. B. Alberti beschouwingen over de schilderkunst en bouwkunst (midden 15de eeuw) evenals bij Leonardo da Vinei in zijn verhandeling over de schilderkunst (begin 16de eeuw). Ook Dolce, Vasari, Dürer