is toegevoegd aan uw favorieten.

Beschrijvende catalogus voor de tentoonstelling van Balische kunstvoorwerpen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn vrouwelijke volgelingen haken de oorbellen (anting), van peervormige steenen voorzien, in 's Priesters ooren.

Alle benoodigdheden staan klaar.

De sierlijke „bogem," de doos voor den mijter,

staat voor den priester.

De rood fluweelen mijter, versierd met goud, steentjes, en genitri, plaatst de priester op zijn hoofd. De Saab wordt geopend en de inhoud uitgestald; de groote koperen schaal, de Naré, waarop het pedanda stel.

De doelan, het houten onderstuk, is terzijde geschoven.

De Pedanda bereidt zich voor, voor 't gebed.

Uit een klein gouden of koperen doosje (klopok)

neemt de priester rijstkorreltjes met water, en

doet 3 rijstkorreltjes op zijn voorhoofd, 3 op de

schouders, 3 op de borst, 3 op den rug.

De priester doopt de vingers in de „penastaan"

een koperen reinigingsbakje.

De „pedamaran" het kleine lampje, is ontstoken.

Met een tangetje (sepit) wordt een houtspaander

op de „peloepaan" gelegd, en kleine rookwolkjes

stijgen op uit 't smeulende houtspaandertje.

Als hout gebruikt de priester tjendana, dap-dap

en madjegoe spaanders.

De glazen wijwaterbak (sewambe) staat op de „tripade" (een koperen drievoet). Welriekende bloemen liggen in tuiltjes gebonden voor den Pedanda.

In het wijwater staat de sproeier (seserat) van

bloemen of plantenvezels gemaakt.

In het wijwater drijven de tjempaka, djepoen en

poetjoek bloemen.

De priester bidt. . .

De handen tegen elkaar gevouwen, een bloemtuiltje tusschen de vingers, brengt de oude priester,