is toegevoegd aan uw favorieten.

Justijn de Martelaar

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Euripus 1), die bij Chalcis 2) was, te kennen, vanwege de groote roemloosheid en schande bedroefd, afstand gedaan van het leven 3).

Niemand derhalve van de welgezinden achte de welbespraaktheid dezer (mannen) voornamer dan zijn eigen behoud, maar, na overeenkomstig dat (welbekende) oude verhaal de ooren met was afgesloten te hebben 4), ontvhede elk de zoete schade die uit deze eigen Sirenen met bezwaren dreigt. De bovengenoemde mannen toch, die de welbespraaktheid als een soort lokspijs vóórhouden, hebben er de voorkeur aan gegeven anderen van de rechte godvreezendheid af te leiden, en hem nagebootst, die het gewaagd heeft de eerste menschen in het veelgodendom te onderrichten. Ik smeek uheden hun geen gehoor te geven, doch de prophetieën der gewijde mannen te leeren. Doch ingeval zekere aarzehng, of de aloude daemonenvrees uwer voorouders, u tot nu toe verhindert de prophetieën der heilige mannen te lezen — door middel waarvan het u mogehjk is te vernemen dat er een eenige en uitsluitende God is, welke (erkenning) het eerste kenmerk is der waarachtige godvreezendheid —, gelooft dan minstens (Orpheus), die u eerst het veelgodendom geleerd heeft, doch later er de voorkeur aan gegeven heeft een nuttige en noodzakelijke herroeping 6) aan te heffen, (Orpheus), die gezegd heeft wat ik kort te voren heb geschreven 6), en gelooft de overigen die hetzelfde betreffende éénen God hebben geschreven % Het is namehjk een werk der goddelijke voorzienigheid ten uwen behoeve geweest, dat deze (mannen) huns ondanks getuigen dat het door de propheten betreffende éénen

*) Een zeearm, die Euboea van het vaste land scheidt. a) Oude naam voor Euboea.

8) Een jongere fictie, onbekend aan Diogenes Laërtius, vermeld door Gregorius van Anianza. Verg. Zeiler, Phil. d. Gr. II 2:t S. 40 ff.

4) Verg. Rede t. d. Gr. c. 1; C 1 em. Al. Protr. XII 118, 4.

5) naliiadiav. °| c. 15.

') Sybille c. 16; Homerus c. 17; Sophocles c. 18; Pythagorus c. 19; Plato c. 20 vgg.