is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Herfstkleed. Gelijk het bovenbeschreven kleed, doch bovendeelen sterker olijfgroen getint, evenzoo de onderdeelen sterker olijfgeel; keel en bovenborst zonder roodachtige tint. Iris donkerbruin; snavel zwartbruin, basis lichter; pooten grijsbruin of vleeschkleurig bruin, zolen van de teenen geel.

Jeugdkleed. Gelijk het herfstkleed van de oude vogels, olijfgroene tint op de bovendeelen minder sterk, kin en keel fijn bruinzwart gevlekt.

Voorkomen en levenswijze. De oeverpieper is in ons land een regelmatig verschijnende wintergast, die zich langs de zeekust, en wel vooral aan steenglooiingen, steenen hoofden, pieren en dammen, ophoudt en zich slechts zelden meer binnenslands vertoont; hij verschijnt in de laatste dagen van September of in de eerste dagen van October en vertoeft hier tot omstreeks half April. Hij broedt aan de kusten van Scandinavië en Denemarken, vermoedelijk ook in Noord-Rusland aan de kusten van de Witte zee. In den winter wordt hij, behalve aan onze kust, aan die van Noord-Duitschland, België, Noord-Frankrijk en Engeland waargenomen. De aan de Engelsche kusten en aan die van Noordwest-Frankrijk broedende vorm van den waterpieper, Anthns spinoletta petrosus (Montagu), wijkt van den oeverpieper af door het niet roodachtig getint zijn van keel en bovenborst in het bruiloftskleed; deze vorm is aldaar hoofdzakelijk standvogel, een deel echter schijnt zich in den winter zuidelijk langs de kust van Frankrijk tot de Spaansche kust te verplaatsen. Of deze vorm ook onze kusten bezoekt, is niet met zekerheid te zeggen; slechts door het ringonderzoek zou dit vastgesteld kunnen worden. De in Maart en April aan onze kust geschoten voorwerpen vertoonen een roodachtige tint op de borst en duiden hierdoor op den Scandinavischen vorm; wintervoorwerpen van de beide genoemde vormen zijn niet van elkaar te onderscheiden. De oeverpieper bewoont in den broedtijd de rotsachtige kusten langs de zee en maakt een nest gelijk dat van andere piepers tusschen steenen, in rotsholten, ook tusschen gras of andere planten en legt in het laatst van Mei of in Juni 4^5 eieren, die op die van den waterpieper gelijken. Hij schijnt als regel twee broedsels per jaar groot te brengen. De lokroep gelijkt op dien van den graspieper, ook de zang van het mannetje doet sterk aan dien van den graspieper denken; het vliegt gelijk andere piepers zingend omhoog. Hij zoekt langs den rand van het water en tusschen de steenen der zeeweringen zijn voedsel, dat, behalve uit insecten en larven, uit kleine schaal- en schelpdieren, wormen, wieren en ook zaden bestaat.