is toegevoegd aan uw favorieten.

Ornithologia Neerlandica

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grootendeels wit, de binnenvlag van de beide buitenste paren met een groote wigvormige witte vlek aan het einde; bovenstaartdekvederen olijfkleurig bruin, de langste min of meer roodachtig bruin, met zwartbruine schachtstrepen; onderstaartdekvederen bleek geel, al of niet met bruinzwarte schachtstreep. Iris donkerbruin; snavel donkerblauwgrijs, langs de snavelranden lichter; pooten vleeschkleurig bruin. Vleugel 79—86, staart 69—78, snavel 9—10, loopbeen 18 mm.

Oud ?. Voorhoofd, bovenkop, achterhoofd en achterhals groenachtig grauwbruin met bruinzwarte schachtstrepen; rug en schouders grauwbruin, min of meer roodbruin getint, met bruinzwarte schachtstrepen; stuit en bovenstaartdekvederen grauwbruin met bruinzwarte schachtstrepen; teugels grauwbruin; streep boven en achter het oog bruinachtig geelwit; oordekvederen grauwbruin met donkerder schachtstrepen, enkele vederen in den achterrand bruinachtig geelwit; kin, keel, voorhals en benedenhalszijden licht bruinachtig geel met bruinzwarte schachtstrepen; bovenborst en zijden van het lichaam licht roodbruinachtig geel met bruinzwarte schachtstrepen; benedenborst en buik bleek geel; slagpennen en bovenvleugeldekvederen als bij het d, doch valer; ondervleugeldekvederen geelachtig wit; okselvederen bleekgeel; staartpennen als bij het d; onderstaartdekvederen geelachtig wit met bruinzwarte schachtstrepen. Iris donkerbruin; snavel blauwgrijs; pooten vleeschkleurig bruin. Vleuge^—82, staart 69—73,

snavel 10, loopbeen 18 mm.

In den herfst en in den winter zijn de zwarte vederen van den kop en hals bij het d groenachtig gezoomd en ook de rug- en schoudervederen en de roodbruine zijborstvederen van breedere groenachtige zoomen voorzien.

Jeugdkleed. Gelijkend op het kleed van het ?, echter geen roodbruine tint op rug en schouders en onderdeelen bleeker en meer gestreept.

Voorkomen en levenswijze. De cirlgors komt als broedvogel hoofdzakelijk voor in het Middellandsche zeegebied van Spanje en Portugal in het westen tot Griekenland, Turkije en de Krim in het oosten. Ook in Noordwest-Afrika, in Klein-Azië en op verschillende eilanden in de Middellandsche zee is de soort aan te treffen. Verder is zij vrij algemeen verspreid in Frankrijk, in het zuiden van Engeland, van Corn wall tot Kent, en in Zuidwest-Duitschland, in de rivierdalen van Rijn, Moezel en Saar.In ons land zijn in totaal zes exemplaren van de cirlgors gevangen, te weten: een voorwerp in 1856 bij Harderwijk (Herklots, Bouwst. Fauna Ned. II, 1858, p. 213), een tweede exemplaar, een d, omstreeks 1858 des winters in een schuur bij Velsen (Bouwst. Fauna Ned. II, 1858, p. 290 enNed. Tijdschr. v. d. Dierkunde, 1863, p. 226); een derde in Maart 1873 te Harderwijk en een vierde, een d, op 30 December 1883 aldaar. Dit laatste voorwerp woidt bewaard in de collectie van het genootschap ,,Natura Artis Magistra . Tenslotte ving men in 1891 twee stuks nabij Arnhem (Tijdschr. Ned. Dierk. Ver., 2e serie, dl. 5,

1894/95, P-5)- . . Ui.. • .

De cirlgors is in hoofdzaak standvogel, die gaarne eemgszins beboscht terrein bewoont, maar die zich op steenachtige, spaarzaam met jeneverbessen begroeide hellingen