is toegevoegd aan uw favorieten.
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrienden, hulpmiddelen, voorraden of verbinding met de plaats van vertrek of aankomst. In Azië zelf had de Nederlandsche handel met rustelooze schranderheid en ondernemingslust binnen zeer korten tijd betrekkingen aangeknoopt over een verbazend uitgestrekt gebied, zoowel ten Westen als ten Oosten van Straat Soenda, maar alles zonder veel systeem, vrijwel op de wijze der eerste tochten op avontuur, zoodanig dat de eene onderneming niet voldoende met de andere samenwerkte, dat geld, goederen, leeftocht, materialen, volk en schepen hier te veel en daar te weinig waren, dat de controle bemoeielijkt werd, dat in het onderhoud en herstel der schepen en de voeding en betaling der manschappen soms maar half voorzien, en de bestrijding der Portugeezen niet met volle kracht aangevat kon worden.

§15. In 1605 veroverden de onzen het fort Victoria op Ambon. Daarmee werd voor het eerst vaste voet gewonnen en tevens aan inlandsche Vorsten duidelijk gemaakt, dat men voornemens was te blijven, dat dus verbonden en duurzame contracten met de Compagnie konden worden gesloten. Maar, ofschoon de Molukken nog geruimen tijd het middelpunt van hare belangen zouden zijn, het centrum van administratie kon in dien uithoek niet worden gevestigd. Het moest uit den aard der zaak aan of dichtbij een der twee doorgangen van West naar Oost zijn, öf Straat Malaka öf Straat Soenda. Bij voorkeur zouden natuurlijk de te bouwen winkels, pakhuizen, kantoren, werven en woningen op eigen grond en binnen eene versterking moeten staan. Men leefde nu eenmaal in een tijd en eene omgeving, waar macht boven recht ging. Het zou dwaasheid geweest zijn, zich daaromtrent illusies te maken en het voortbestaan der Compagnie, waarbij 's Lands belang zoo innig betrokken was, afhankelijk te stellen van kansen, waarin men had kunnen voorzien. Het sprak echter evenzeer van zelf, dat inlandsche potentaten, de geschiedenis der Portugeesche vestigingen indachtig, voor Nederlandsche forten binnen hun gebied niet veel voelden.

§ 16. Zoo kon dan onze Van Warwijck in 1603 wel vergunning