is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de staatscommissie in zake de financieele verhouding tusschen het Rijk en de Gemeenten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJLAGE VIL

OVERZICHT VOOR ENKELE GEMEENTEN VAN UITGAVEN, WAARTOE BIJZONDERE WETTEN DE GEMEENTEN VERPLICHTEN.

Bij de samenstelling van het hier volgende overzicht zijn de volgende richtlijnen in acht genomen: *)

1. Onder de uitgaven, waartoe de gemeenten door wettelijke voorschriften worden verplicht worden verstaan de uitgaven waartoe de gemeentewet zelf verplicht en die voorzien in art. 205 x Gemeentewet.

2. In de opsomming is de volgorde der rekening in acht genomen.

3. Financieele verplichtingen van de gemeente, welke een consequentie zijn van vrijwillige uitgaven door de gemeente gedaan, zijn niet als verplichte uitgaven in rekening gebracht.

4. Salarissen van: Burgemeester, Secretaris, Ontvanger, secretariekosten en kantoor van den Gemeente-ontvanger, zijn voor 50 % als uitgaven voor de vervulling van functies, waartoe de wet de gemeenten verplicht, aangenomen.

Wethouders worden aangenomen voor 25 %.

Bezoldiging ambtenaar van den Burgerlijken Stand 100 %, overige kosten van den Burgerlijken Stand 50 %.

Bevolkingsregister en Huisnummering 50 %. Archivaris 100 %.

Kosten laatste volkstelling is voor Vio op de rekening van 1924 in rekening gebracht.

Pensioensbijdragen worden naar denzelfden maatstaf opgenomen als de salarissen der betrokken ambtenaren.

5. De kosten voor de verkiezing voor Tweede Kamer, Provinciale Staten en Gemeenteraden zijn als verplichte uitgaven te zamen genomen over de perioden 1921, 1922, 1923, 1924. Voor de rekening 1924 is ^4 dezer uitgaven in rekening gebracht.

6. Inkomsten aan bepaalde takken van dienst verbonden, welke als inkomst staan tegenover verplichte uitgaven, worden van die uitgaven afgetrokken in dezelfde verhouding als waarvoor de uitgaven zijn opgenomen (leges).

7. Politie: Commissarissen van Politie 75 %. Recherche geheel verplicht 100 %.

Verkeerspolitie 50 %. Inspecteurs en agenten voor naleving rijkswetten 100.%

Overige politiebeambten 50 %.

Politiegebouwen 50 %.

Deze richtlijnen betreffen een studie, welke slechts voor enkele gemeenten werd gemaakt. Nader is gebleken, dat enkele dezer regelen nog voor herziening in aanmerking kwamen. De hoofdzaak echter scheen niet onjuist. Het overzicht is samengesteld uit de gemeenterekeningen over 1924.