is toegevoegd aan uw favorieten.

Verslag van de staatscommissie in zake de financieele verhouding tusschen het Rijk en de Gemeenten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zich voortdurende wijzigende omstandigheden. In 1903 werd een Staatscommissie benoemd, die onder meer tot taak had een betere voorziening te dezer zake te ontwerpen. Zij is daarin niet kunnen slagen. Wel werden door 1 van de 14 leden in een 4-tal minderheidsnota's belangwekkende denkbeelden over het vraagstuk ontwikkeld, doch tot eenstemmigheid of ook maar tot eene aan de meerderheid deugdelijk voorkomende regeling heeft zij het niet kunnen brengen. De woorden in één der nota's van destijds voorkomende, dat zoo niet binnenkort eene oplossing gevonden werd, het te bestrijden euvel een zeer acuut karakter zou aannemen, zijn maar al te juist gebleken en hebben vooral in de laatste jaren eene zeer bedenkelijke bevestiging gevonden. De factoren, die in 1903 de wanverhouding schiepen, hebben voedsel ontvangen. De zaken van algemeen Rijksbelang, die zonder voldoende schadeloosstelling aan de gemeenten ter geldelijke behartiging werden overgelaten, zijn toegenomen, met het noodlottige gevolg eenerzijds, dat gemeenten van bepaalde ligging en sociale structuur in zeer groote moeilijkheden kwamen, anderzijds, dat het gevaar toenam, dat de gezamenlijke publieke uitgaven de algemeene draagkracht te boven gingen, in zoover de macht, die de uitgaven decreteerde, veelszins eene andere was, dan die haar te financieren kreeg.

Het staat te vreezen, dat de allerjongste wetgeving, met name op het stuk van het onderwijs, in dit opzicht nieuw materiaal zal bijbrengen.

Tot welke onhoudbare lasten een en ander in sommige gemeenten heeft geleid, behoef ik U wel niet te herinneren. Terwijl in 1903 een gemeentelijk heffingspercentage van 6a 7 pet. reeds als een noodtoestand werd gevoeld, wordt thans in menige gemeente het dubbele en meer gevorderd, ja, is een enkele reeds overgegaan tot aen heffing van 24 %.

De schuld van dergelijke toestanden uitsluitend te leggen op de gemeenten, ware wel gemakkelijk, maar niet in overeenstemming met de feiten. Het moge juist zijn, dat door sommige gemeentebesturen niet steeds de noodige voorzichtigheid is betracht geworden, een algemeen en uitsluitend werkende oorzaak is dit allerminst geweest, terwijl bovendien de opmerking mag gemaakt worden, dat ook de gewraakte onvoorzichtigheid, waar zij voorkwam, ten deele is uitgelokt, althans in de hand gewerkt door het langdurig uitstel van een definitieve oplossing van het vraagstuk. Waar naar algemeen gevoelen een regeling op den duur niet kon uitblijven, en deze telkens vertraagd werd, kwamen de gemeenten te verkeeren in een afwachtingsstemming, die op de bezonnenheid en vastheid van haar financieel beleid niet anders dan ongunstig kon inwerken.

Meer dan tijd wordt het, dat de gemeenten weten waar zij aan toe zijn, dat de financieele verhouding tusschen het Rijk en haar op rechtvaardigen, logischen en duurzamen grondslag komt te berusten, maar dat de gemeenten dan ook de wetenschap hebben, dat zij verder de verhooging harer eigen autonome belangen met eigen middelen zullen moeten bekostigen.

Ik ontveins mij niet, dat het resultaat van Uw arbeid van dien aard zal kunnen zijn, dat aanzienlijke offers van 's Rijks schatkist zullen worden gevorderd op het oogenblik, dat ook 's Rijks financiën in een hoogst bedenkelijken toestand verkeeren en dat de uiterste grens van wat de natie aan