is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Fuiken.

uit het Zuiden van Gajö Loeös komt men ze in de Meerstreek halen, of lieden van de Laut Tawar brengen ze daarheen.

De sëlangat (Alas: id.) is een klein kruisnet, dat in het Gajö- en Alasland in de rivierkolken voor de vischvangst wordt gebezigd.

Met een korte vermelding van eenige namen van schepnetten zullen we onzen netten-inventaris besluiten ')• Ze zijn, in verschillende vormen en grootten in gebruik, meestal voor het vangen van kleine visschen of garnalen, maar ook als hulpwerktuigen bij andere netten of fuiken. In Atjèh heeten de meest gebruikelijke soedösawö\ roeleuë, terwijl Veltman in zijn woordenlijst nog opgeeft de namen eumpèt, leupoeën (een klein rond schepnetje om garnalen te vangen), en sanggö' (driekant schepnet). In de Maleische streken ter Westkust zijn de namen tanggoea en döröng gangbaar, terwijl in het Gajö- en Alasland bedoelde netten, naar gelang van de grootte, doeroeng, of: gégé en lënggèn worden genoemd.

2. Fuiken.

De algemeene naam dezer gewoonlijk tonvormige, uit fijne bamboelatjes en rotan samengestelde, korven is boebèë (G: oe, of: oeoe, Alas: boeboe, Mal.: loekah). Men heeft er ook van bili, van harde arenpalmvezels, van arenbladnerven, enz. Hoe verschillend ook in vorm en grootte, onderscheidt men toch aan de meeste fuiken een mondvormige opening (babah, G: awah, Alas: babah), waar de visch inkomt, en een gesloten uiteinde (poenggöng, G. en Alas: pantat, of: poet), dat de fuik afsluit. Men heeft ook fuiken met twee monden (boebeê doea babah). Verder wordt de fuik, die zich naar achter geleidelijk vernauwt, aan de binnenzijde door hoepels of duigen (gheuëb, G: ongkö, of: öngkö, Alas: bëngkör) gespannen. Gewoonlijk is een plaatselijke vernauwing (keu iëng, G. en Alas: awa") aangebracht, die de in de fuik gezwommen visch belet te ontsnappen. Het buikige gedeelte heet dan badan (G: lëlaboe, Alas: klëmböng). Waar de vernauwing niet aanwezig is, tracht men het hiermede beoogde doel te bereiken, door achter in den mond der fuik een (soms 2) keel (djab, G: sënggapa, Alas: sëgarang, Mal: indjö)2) aan te brengen, bestaande uit een trechtervormigen krans van dunne reepen gespleten bamboe, die naar den kant van de opening der fuik wijd openstaan, doch naar den kant van haar gesloten einde vlak opeen sluiten. Deze keelsluiting opent zich zeer buigzaam voor visschen, die binnenkomen, maar neemt dan veerkrachtig de oude positie weer in en verspert den terugtocht.

Naar mate van de grootte van de visch, die men vangen wil, onderscheidt men fuiken met wijde openingen (boebèë djareuëng, G: oe djarang, Mal.: loekah djarang) en die met nauwe openingen (boebèë krab, G: oe rapat, Mal.: loekah rapé'). En naar gelang van de plaats, waar men vischt, onderscheidt men zeefuiken (boebèë la'öt) en zoetwaterfuiken (b. kroeëng).

1) T. Veltman noemt in zijn Ned. Atjèhsche woordenl. i. v. „net" nog de djala bajadi (e. s. v. werpnet) en de dawö (een gespannen net, waarin de visschen worden opgejaagd).

2) Zulk een djab treft men ook dikwijls aan bij vischmandjes (raga eungköt, of: raga meutakoeë, als de mand een ingesnoerde halsopening heeft), waarin de visscher de gevangen visch bergt.