is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lintang — samen de z.g. rödjö bërampat vormende — de eenigen uit, die zich eertijds met de keuze van een nieuwen Këdjoeroen inlieten.

Pënèsan, Pëpari1 en Gëgarang vormden vroeger de federatie der toeloe sagi, of tigö sagi („drie hoeken"), misschien naar het voorbeeld der drie sagi's van Groot Atjèh aldus genoemd (vgl. boven p. 190 nt. 2)').

Mbatjang en Trangoen vormden eertijds „vrijheerlijke" kampoeng's 2),

De uit Gajö Loeös bevolkte en daartoe behoorende, maar buiten haar natuurlijke grenzen gelegen, nederzettingen aan de Boven-Tëmiang-rivier (Oering, Gadjah, Trangoen, Pinding, Përti', Lëstèn en Tampoer) werden bij Stbl. 1908 N°. 401 gevoegd bij de toen nieuw opgerichte onderafdeeling Sërbödjadi. Daar dit tot allerlei bezwaren aanleiding gaf, werden die nederzettingen bij Stbl. 1909 N°. 471 bij de onderafdeeling Gajö Loeös getrokken, met uitzondering van het Tampoercomplex, dat aan Sërbödjadi bleef. De uiterste nederzetting van het gebied van Këdjoeroen Pëtiambang in de richting van Tëmiang is Lëstèn.

De drie laatstgenoemde onderafdeelingen omvatten het z.g. Gajöland. Daar het inheemsche bestuur hier van andere principes uitgaat dan in eigenlijk Atjèh, dienen de kenmerken daarvan nader te worden geschetst3).

Het bestuur houdt ten nauwste verband met de volksordening. De Gajösche volksindeeling berust niet (als de Atjèhsche) op territorialen-, maar op genealogischen grondslag: de bevolking is in stammen of geslachten (blah, of: soekoe, of: koeroe) verdeeld, die in eenzelfde nederzetting gewoonlijk dooréén wonen. Niet de kampoeng, maar de stam, of het onderdeel van een stam vormt de bestuurseenheid, staande onder een eigen familiehoofd {rödjö, of: pëngoeloe). De Gajösche volkshoofden zijn dus familiehoofden. Hun onderhoorigen — aangeduid als sara rödjö d. i. „denzelfden rödjö hebbend" — zijn elkanders „broeders" (saudörö, vgl. Atj.: sèëdara). Wordt op den duur splitsing van een geslacht noodig, hetzij doordien de leden te talrijk worden, hetzij wegens oneenigheden, of om andere redenen, dan scheidt een groep der verwanten zich van de anderen af, onder een door hemzelf gekozen rödjö. Binnen de grenzen der familiegroepen wordt alle gezag door den rödjö uitgeoefend, maar op patriarchaal republikeinsche wijze en steeds in samenwerking met de saudörö's.

Als regel geldt, dat het ambt van rödjö erfelijk is in de familie, die het eenmaal bekleedt. Volgens de adat moet hij worden opgevolgd door zijn zoon; niet bij voorkeur door den oudsten, maar door hem, die geldt als mëtoeah, d. i. voorzien is van gelukbelovende teekenen, hetgeen door de saudörö's wordt uitgemaakt, die daarbij de hulp van een wichelaar (goeroe) inroepen. Voorkeur heeft men eer voor den jongsten (bëngsoe) dan voor den oudsten (oeloe börö) der zoons, hetgeen ook bij de verdeeling eener nalatenschap aan den dag komt. Onmondigheid geldt niet als beletsel tegen de opvolging, daar dan de oudere familieleden zoolang als plaatsvervangers (bödöl) optreden (Het Gajöland p. 95).

1) Dr. C. Snouck Hurgronje: Het Gajöland en zijne bewoners p. 220 en 242.

2) Dr. C. Snouck Hurgronje t. a. p. blz. 232.

3) Zie daarover uitvoerig: Dr. C. Snouck Hurgronje t. a. p. blz. 78 vg.