is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omtrent de opvolging in het Këdjoeroen-ambt gelden dezelfde regels als bij het rödjö-schap. Alleen acht men voor Kedjoeroen's het mawèn niet noodig, men neemt aan, dat hun nahma niet sterft, ook al wordt die niet vóór de begrafenis op een ander overgedragen (Het Gajoland p. 95 vg.).

Volgens de overlevering werd het Gajoland aanvankelijk bestuurd door vier Kedjoeroen's (de z.g. Kedjoeroen si opat, of: Kawal ni si opat) n.1. die van Boekit, Siah Oetama, Linggö en Pëtiambang. Rödjö Tjf en Kedjoeroen Aboe" kwamen eerst na de aloude „vier" op den voorgrond.

Het gebied van Rödjö Tji* werd door Bataksche immigranten gevormd, die, volgens de overlevering, oorspronkelijk zeven en twintig huisgezinnen in getal, den Islam en de Gajösche zeden zóó geheel aannamen, dat zij thans van andere Gajö's niet meer te onderscheiden zijn, maar die door hun lang volgehouden afzondering steeds een aaneengesloten geheel wisten te bewaren. Vanuit hun moederkampoeng Böbasan bevolkten zij Pëgasing, Kètöl, Tjëlala en Bëroeksah. Hun hoofd Rödjö Tji' wordt als hun aller hoofd erkend, en daar deze erkenning hun niet van buiten af opgedrongen is, maar zich van zelf, in verband met de vorming hunner nederzettingen, ontwikkeld heeft, beteekent zij practisch meer dan het gezag der vier oudere Kedjoeroen's over hun gebied (Het Gajoland p. 64 vg.)').

Het gebied van Kedjoeroen Aboe" zou volgens overlevering vóór ongeveer een eeuw voor het eerst bevolkt geworden zijn door verhuizers uit het Döröt-gebied, waarbij zich later andere elementen uit de overige deelen van het Gajoland (vooral uit Gajö Loeös) voegden. Het voornaamste hoofd kreeg in de wandeling den naam Kedjoeroen Aboe', zonder echter dat iemand daarmede bedoelde, hem in aanzien met de „si opat" gelijk te stellen (Het Gajoland p. 99).

Bij onze komst in het Gajoland vonden we dus een zesledig bestuur, dat nu nog voortleeft in de zes zelfbesturende landschappen aldaar.

De boven gegeven schets van het Gajösche bestuur werd voornamelijk ontleend aan het werk van Dr. Snouck Hurgronje over „Het Gajoland", dat merkwaardige boek, waarvan de schrijver niet alleen nimmer het door hem beschreven land uit eigen oogen had aanschouwd, maar dat, hoewel verschenen in een tijd (1903), toen een groot deel van het land (o. a. Gajö Loeös) nog door geen Europeaan was betreden, nu nog door de gebruikers in het land zelf in hoofdzaak als juist wordt erkend en geroemd.

Om de ingrijpende veranderingen te leeren kennen, welke na de annexatie van het Gajoland (dus na 1904) in het inheemsche bestuur hebben plaats gevonden, moet uit andere bronnen worden geput. Deze zijn echter niet alleen gering in aantal en slechts bij uitzondering gepubliceerd, maar de belangstellende zoeker naar nieuwe gegevens vindt daarin maar weinig van zijn gading2). Het

1) Vgl. aangaande de daar gemaakte veronderstelling, dat in den naam „de zeven en twintig Bataks" (Bata doeö poeloeh toedjoeh) een herinnering zou zijn bewaard gebleven aan de Karosche oeroeng „de zeventien dorpen", ook: den „Batakspiegel" p. 320.

2) Van het gebied van Kedjoeroen Aboe1 (Sërbödjadi) verscheen een nota van toelichting in 1913 (Bijdragen T. L. en Vk. v. Ned. Indië dl. 69, 1914, p. 439 vg.). Van het ressort van

16