is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staande in een deel van den oogst, dat de ontginner van woesten grond zijn dorpshoofd of Oelèëbalang ten geschenke aanbiedt. Ook de hierboven (p. 110) bedoelde vischgeschenken aan de z.g. oereuëng meudarat, die niet aan de poekatvangst deelnemen, maar slechts als toeschouwers aanwezig zijn, noemt men boengöng djaröë. Peusidjoeë* djaröë heeten de geschenken aan de deskundigen (ambachtslieden, geneeskundigen, enz.) als belooning voor de door hen in bepaalde gevallen aangebrachte verkoeling. Op het peusidjoeë darah, of smartegeld, komen we bij bespreking van het wraakrecht vanzelf terug. Kleine geschenken, die het karakter van „fooien" dragen, heeten in Atjèh: ngön blöë ranoeb, of: ngön blöë ië teubèë, d. i. (geld) om sirih (suikerrietsap) te koopen (vgl. p. 206 en dl. I, p. 485), in Gajö:' regö ni blo (sirihgeld). Met den naam ripè worden aangeduid vrijwillige bijdragen of giften, bijvoorbeeld voor een buitenpartij (meuramiën), voor een sadativertooning, voor den bouw van een moskee, enz. (vgl. dl. 1, p. 342, 465 nt. 3, 471).

Dan heeft men nog allerlei belooningen, waarop sommige personen voor hun diensten qualitate qua recht hebben. Zulke belooningen noemt de Atjèher peunajah (v. pajah = moeite), of meer algemeen met een Arabischen term ha

(Arab.: haqq = recht), bijv.: .... ,

ha moedém = het loon voor den persoon, die de besnijdenis verricht aan knapen; ha tob gloenjoeëng = het loon voor het doorboren der oorlellen, ha gatib = het den dorps-teungkoe toekomend huwelijksloon (zie boven p. 208

en 256);

ha oebat = het honorarium, dat een geneeskundige ontvangt; ha* bidan en ha" köh poesat = de belooningen, die de vroedvrouw ontvangt voor het doorsnijden van de navelstreng en voor haar assistentie der kraamvrouw gedurende de ovenperiode; ha teuleukin = het loon van den dorps-teungkoe voor den door hem geleiden

doodendienst bij het graf (zie boven p. 208 en 256); ha" seulangké = het loon van den huwelijksmakelaar (zie boven p. 319).

Meestal bedragen deze belooningen voor bewezen diensten samaïh (één mas, d. i. ' 4 dollar of ƒ0,30, tegenwoordig gewoonlijk ƒ 1). Niet altijd echter worden ze in geld voldaan, soms in natura, bijvoorbeeld in rijst, zooals de belooning aan de deskundige voor het köh andam (zie boven p. 325), of in vleesch, zooals de ha talöë, ha kapa, ha" tjéng (zie dl. I, p. 331). In Gajö heeten al dergelijke belooningen: pënjërahön (lett.: „wat bij de overgave behoort") of: permoenggön (lett.: „middel tot afdoening"), in Alas: pënërahan, of: pënahoeti (lett.: „middel dat iets tot stand komt").

angst, met welken onder hen een vreemdeling wordt toegelaten in de nabijheid van kleine kinderen Bij de Kajan's geeft iedere vreemdeling bij zijn eerste intrede in de woning een oesoet, bestaande in wat kralen of doek; hier ligt wellicht de overtuiging aan ten grondslag, dat een bijzondere verschijning de ziel van het kind verschrikt, die nu weer met iets fraais gestreeld moet worden. Men is inderdaad bang voor ziekte van den kleine" (In Centraal Borneo dl. I, p. 65 vg., Quer durch Borneo dl. I, p. 74). Vgl. over het interessante onderwerp der xeno'phobie verder o. a. J. G. Frazer: Taboo and the perils of the soul p. 101—116; A. C. Kruyt: De Inlander en de zending (1907) p. 49 vg. en vooral: Mr. F. D. E- van Ossenbruggen. Het primitieve denken enz. p. 70 vg.