is toegevoegd aan uw favorieten.

Atjèh

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het talrijkst zijn die, welke aan de dierenwereld zijn ontleend. Naar men zegt, zouden alle dieren in meerdere of mindere mate de gave der profetie bezitten (dl. 1, p. 516). Dat die gave vooral aan de vogels eigen zou zijn, is verklaarbaar. Niet alleen staan alle streken voor hen open, maar door hun stijgen hoog in de lucht zijn zij in staat hun horizon naar verkiezing te vergrooten en dus hun kennis te vermeerderen. Zij zijn dus wijzer dan de mensch en weten eerder dan hij, wat de toekomst aan goed en kwaad brengen zal. Waar wij nog spreken van een „geluksvogel" en een „ongeluksvogel" is dit zeker een nagalm uit het ver verleden, toen bovenbedoelde beschouwing ook bij ons volk nog gangbaar was.

Met tal van orakeldieren hebben we vroeger reeds kennis gemaakt, we herinneren slechts aan enkele namen, zooals: de sareuë\ een vogel, de sawa, een krekel (dl. I, p. 195 nt. 1); de kleuëng keutoetöj, een vogel, de djampö' en de bod' petanöh, beide nachtuilen, de giré", een zwaluwsoort (dl. I, p. 196); de goetgoet, een koekoeksoort, en de Piet van Vliet (dl. I, p. 197); de tjimpala en de béo, beide soorten van eksters (dl. I, p. 198); sommige slangen (dl. I, p. 200); kikvorschen (dl. I, p. 201); vuurvliegen (dl. I, p. 206); vliegende witte mieren (dl. I, p. 207); cicaden (dl. 1, p. 209); de gastvlinder (dl. I, p. 209); vliegen (dl. I, p. 210); honden (dl. I, p. 516); katten (dl. 1, p. 518); hoenders (dl. I, p. 520); tortelduiven (dl. I, p, 521). De in veel opzichten zoo nuttige, maar door de Atjèhers zoozeer miskende huishagedis (dl. I, p. 199), zou diefstal en allerlei ander kwaad voorspellen; hoort men haar geluid, dan tikt men even met de hand ergens tegen aan, om het door haar aangekondigde kwaad te paralyseeren (vgl. het z.g. „aftikken" bij ons). Ter Oost- en Westkust bestaat het geloof, dat als een kat tegen iemands beenen aanschuurt (gising), dit voor hem een waarschuwing is, dat er tijgers nabij zijn huis zijn. Als de blaneu's (een hardersoort) in den vijver in massa aan de wateroppervlakte komen, om lucht te happen (poemadjöh), dan komt er regen. Is de Atjèher voor een of ander doel op weg en ontmoet hij op een ongewone plaats een kat of een slang, dan zal hij op zijn schreden terugkeeren of voor korter of langer tijd, ook wel voor goed, van de onderneming afzien. Dat bij de Gajö's en Alassers gelijke, of gelijksoortige, opvattingen bestaan, behoeft nauwelijks vermeld, men zie slechts de voorbeelden in het Gajö Wdbk. i. v. kalang, tanggoeng en tjëmpala.

Een bijzondere soort van alamat's geeft Allah den mensch in droomen (loempöë, of: amaj, G: nipi, of: amal. Alas: nipi) te zien. De volksopvatting omtrent het ontstaan van droomen is voldoende bekend: de ziel (seumangat) kan in den slaap het lichaam verlaten en al, wat zij op haar omzwervingen ziet en ervaart, maakt den droom uit ')•

De meeste droomen zijn, naar de uitlegging, die men ervan geeft, tot twee

1) Vgl. hierover o. a. Dr. O. A. Wilken's „Verspreide geschriften" dl. III, p. 17 vg. en 334 vg.; Dr. A. C. Kruyt's „Animisme" p. 72 vg.; Dezelfde: De Inlander en de zending p. 127 vg.; Dezelfde: De Bare'e sprekende Toradja's dl. I, p. 252 vg.; J. Q. Frazer: Taboo and the perils of the soul p. 36 vg.