Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en weer als een grillige spiegelweerkaatsing. Het woei hard.

Op het pad, waar Pietro, de oude man, zich moeizaam voortworstelde, joeg het stoffige zand hem soms venijnig in de oogen. En de wind droogde zijn klamme voorhoofd, zoodat hij nu en dan de gerimpelde huid in nog diepere plooien trok; maar dat vermoeide, strak gespannen gevoel werd hij niet kwijt.

Hij was doodmoe, de oude man. Het was een lange weg van Psilorita naar het dal, zelfs voor jongere beenen dan de zijne. En terug, berg óp, viel de weg hem nog langer dan dezen morgen, toen hij naar het dorp was gegaan.

Bijna zonder te hebben gerust was hij terug gekeerd. Hij móest immers 1 — Wat had Mario,

de herbergier, hem verteld 1 En Campazzi!

Hij had het eerst niet willen gelooven Onbegrijpelijk was hetl Maar het onbegrijpelijke was

Waarl Bevestigde hem niet iedereen in het

dorp wat Mario vertelde?

Nu liep hij zoo snel hij nog kon over het pad.

— Gelukkig, hij was bijna thuis daar zag hij

reeds het huisje van Enrico Ja, jal hij moest

hen waarschuwen! Hij moest hen allen spreken! Was het niet zijn plicht hun te vertellen

wat hij hoorde van Mario van Campazzi, van

iedereen in het dorp!

Tusschen de struiken doemde een kleine gestalte op.

Sluiten