Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te werken. Dit verlangen des Geestes werd in de zieletonen van Israëls Psalmen uitgedrukt, en in de Profetie als van Sions muren en wachttoren uitgeroepen. Met de opstanding van Christus kreeg, naar den Psalm en naar de Profetie, dat verlangen uitzicht op bevrediging (Psalm 22 : 28 v.v.; Jes. 54). Moest de Christus gezalfd tot bevrijder, verlangend naar de verlossing en verheerlijking, in de woestijn den blik van de koninkrijken der wereld aftrekken, om alleen den Heere God te dienen in de gehoorzaamheid des lijdens (Matth. 4 : 8—10); — na zijn opstanding mocht de blik in verrukking uitgaan naar de einden der aarde: „Gaat dan heen in de geheele wereld, predik het Evangelie aan alle creaturen, onderwijst al de volkeren; en ziet Ik ben met u al de dagen tot de voleinding der wereld." (Mark. 16 : 15; Matth. 28 : 18—20).

Jeruzalem zuchtte dan ook, bij de uitstorting des Heiligen Geestes, naar Rome, naar alle geslachten der aarde, naar de menschheid in haar geheel, in haar volheid, in haar toekomst, in heel haar historie; naar heel het menschelijk geslacht in den stroom der ongerechtigheden, in de zee van ellende, maar ook in al de macht van het leven, dat de Heere schiep en bewaarde, en waarin Hij het wonder der Historie uitwerkt.

Dit verlangen uit Jeruzalem is in overeenstemming met den gang van den verheerlijkten Christus in de leiding van zijn Gemeente. In het apostolaat vindt dit verlangen het aangewezen instrument. (Hand. 1:3 en 8). In Stefanus worstelt het voor den Heere en maakt hem martelaar. Maar het wordt door dien marteldood een onbegrepen prikkel, waartegen Saulus van Tarsen de verzenen slaat, totdat hij van Christus Jezus wordt gegrepen; hij, een uitverkoren vat, om door de genade des Heeren overvloediger te arbeiden dan allen en des Heeren Naam bizonder voor de Heidenen te draqen. (Hand 9 • 15Gal. 1 : 16).

De Heere heeft Paulus bij zijn bekeering aanstonds geroepen tot het apostelschap met de uitdrukkelijke opdracht „Ik zend u tot de Heidenen, om hun oogen te openen, en ze te bekeeren van de duisternis tot het licht en van de macht des Satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen en een erfdeel onder de geheiligden door het geloof in Mij." (Hand. 26 : 17 en 18).

Als Paulus later in Jeruzalem toeft en in den tempel bidt, ziet hij daar den Heere andermaal in een gezicht en wordt hem met de heerlijkste openbaring bij vernieuwing uitdrukkelijk zijn roeping onder de Heidenen, dat is onder de volken buiten Israël, aangewezen (Hand. 22 : 21; 2 Kor. 12). De roeping snijdt zijn gemeenschap aan Jeruzalem niet af, maar vordert voor de ééne Gemeente Gods uit alle geslachten, -Romeinen -

Sluiten